Het Coalitieakkoord 2026-2030 van D66, VVD en CDA verbetert het overheidssaldo op de korte termijn, maar vooral op de lange termijn loopt de overheidsschuld op. De doorsnee koopkracht daalt beperkt. Dat blijkt uit de analyse van het coalitieakkoord van het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
Het coalitieakkoord bevat onder andere een verhoging van het eigen risico, een lastenverzwaring in de inkomstenbelasting en verschillende versoberingen in de sociale zekerheidsuitkeringen.
Lastenverzwaring
De lastenverzwaring wordt uitgevoerd via een beperkte indexatie van schijfgrenzen en heffingskortingen in 2027 en 2028 (de vrijheidsbijdrage voor gezinnen) en een verhoging van het tarief in de eerste en tweede schijf van box 1 vanaf 2027. Deze tariefsverhoging is bedoeld als compensatie voor de lagere nominale premie en IAB-premie als gevolg van het hogere eigen risico en andere zorgmaatregelen.
Versoberingen
Ook verkort het kabinet de maximale WW-duur en vertraagt de opbouw van WW-rechten, schaft het de IVA-uitkering af en wordt het maximumdagloon per 2029 met 20% verlaagd, waardoor relatief hoge loongerelateerde uitkeringen dalen. De AOW- en pensioenleeftijd worden verhoogd door een aanpassing van de koppeling aan de levensverwachting.
Cao-loongroei
De reële cao-loongroei bij bedrijven neemt af ten opzichte van het basispad. De cao-lonen nemen met
0,1%-punt per jaar minder toe dan in het basispad. De terugvalpositie van werknemers bij werkloosheid verslechtert, vooral door ombuigingen op de WW. Het neerwaartse effect hiervan op de cao-lonen wordt gedeeltelijk tegengegaan door hogere lasten voor werknemers, die in de loononderhandelingen een opwaarts effect op de loongroei hebben. De inflatie blijft ongewijzigd ten opzichte van het basispad.
Koopkracht daalt
Het coalitieakkoord leidt tot een daling van de doorsnee koopkracht met 0,4% per jaar, vooral door hogere lasten.
Ook de reële loongroei bij bedrijven neemt iets af ten opzichte van het basispad. Lagere inkomens gaan er iets meer op achteruit dan hogere inkomens, omdat ze meer nadeel van het hogere eigen risico hebben en minder profiteren van de nieuwe kindregeling. Bij de lagere inkomensgroepen is er ook meer spreiding in de koopkrachteffecten. Het aandeel mensen in armoede stijgt licht.
De zekerheid van het inkomen neemt af, onder meer door kortere WW- en loongerelateerde WIA-uitkeringen, een minder toegankelijke WW en een inkomensschok in de WW en WIA door het verlagen van het maximumdagloon.
Plannen sociale zekerheid
Verkorten WW-duur, verlengen referte-eis, beperken opbouw WW-recht en verhogen WW-uitkering
De maximale WW-duur wordt volgens het coalitieakkoord vanaf 2028 beperkt tot één jaar. Vanaf 2030 wordt de referte-eis verlengd naar 42 van de 52 weken gewerkt en wordt de opbouw van WW-rechten beperkt naar een halve maand per gewerkt jaar. Daarnaast wordt de uitkering verhoogd naar 80% van
het oude loon in de eerste twee maanden. In de resterende tien maanden blijft de uitkeringshoogte 70%. Deze maatregel is een ombuiging van 1,2 mld euro in 2030. De ombuiging loopt verder op tot 2032 naar 1,5 mld euro.
Verlagen maximumdagloon met 20% per 2029
Het maximumdagloon wordt voor bestaande en nieuwe uitkeringen verlaagd met 20% per 2029. Dit geldt voor de werknemersverzekeringen (WIA, WAO, Ziektewet, WW en verlofregelingen) en voor de bijbehorende maximumpremiegrenzen. De verlaging van de uitkeringen is een ombuiging van 0,7 mld euro in 2030 en 0,9 mld euro op de langere termijn. De verlaging van de maximumpremiegrens in de Aof, Whk en AWf wordt budgetneutraal gecompenseerd. Aangenomen is dat dit gebeurt door een verhoging van deze tarieven.
Afschaffen IVA en taakherschikking
De inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA) wordt per 2030 afgeschaft voor
nieuwe aanvragers van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit is een ombuiging van 0,1
mld euro in 2030 en van 1,2 mld euro op lange termijn. Daarnaast vindt er een taakherschikking plaats bij sociaal-medische beoordelingen door het UWV. Dit leidt tot 12 mln euro hogere uitvoeringskosten.
AOW- en pensioenleeftijd: een-op-eenkoppeling aan levensverwachting (effect op uitkeringen)
Vanaf 2033 wordt de bestaande twee-op-driekoppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting verhoogd naar een een-op-eenkoppeling. De geschatte AOW-leeftijd in 2060 komt daardoor uit op 70 jaar en 6 maanden, 15 maanden hoger dan in het basispad. Dit leidt tot een ombuiging op AOW-uitkeringen, tegelijkertijd zal het beroep op arbeidsongeschiktheids, WW- en bijstandsuitkeringen stijgen. In 2030 is het effect nul, in 2060 leidt de maatregel per saldo tot een structurele ombuiging van 2,7 mld. euro.
Lasten inkomen en arbeid
Beperkt toepassen tabelcorrectiefactor in 2027 en 2028 (vrijheidsbijdrage burgers)
In 2027 en 2028 wordt de tabelcorrectiefactor beperkt toegepast in de bepaling van de schijfgrenzen en heffingskortingen in de inkomstenbelasting. In 2027 wordt de mate van toepassing beperkt tot 46,8% en in 2028 tot 12%. Dit is een lastenverzwaring voor gezinnen van 1,5 mld euro in 2027 en 3,4 mld euro vanaf 2028. In latere jaren wordt de tabelcorrectiefactor voor meer dan 100% toegepast om de budgettaire opbrengst constant te houden.
Verhogen Aof-premie (vrijheidsbijdrage bedrijven)
De Aof-premie wordt voor alle werkgevers taakstellend verhoogd met 1,7 mld euro. Dit is een
lastenverzwaring voor bedrijven.
Bevriezen aftoppingsgrens
Het maximum pensioengevend loon wordt van 2027 tot en met 2032 niet geïndexeerd. De
aftoppingsgrens blijft in deze periode 137.800 euro. De beperking van de pensioenpremieaftrek leidt tot een lastenverzwaring voor gezinnen van 0,5 mld euro in 2030. De lagere pensioenpremie-inleg zorgt later voor lagere belastbare pensioenuitkeringen. Op de lange termijn leidt deze maatregel daarom juist tot een lastenverlichting van 0,2 mld euro.
AOW- en pensioenleeftijd: een-op-eenkoppeling aan levensverwachting (deel lasten)
Vanaf 2033 wordt de bestaande twee-op-driekoppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting verhoogd naar een een-op-eenkoppeling. De geschatte AOW-leeftijd in 2060 komt daardoor uit op 70 jaar en 6 maanden, 15 maanden hoger dan in het basispad.
Bij korter pensioneren hoeven jaarlijks minder pensioenpremies te worden afgedragen voor hetzelfde pensioenresultaat en dalen de totale pensioenuitkeringen. Daarnaast betaalt men langer AOW-premie. Per saldo leidt de maatregel, mede als gevolg van de omkeerregeling, tot een structurele lastenverzwaring van 0,3 mld euro.
Reacties vakbonden
Onbestaanbaar en ijskoud, is het oordeel van vakbond FNV over de uitwerkingen van de doorrekeningen. Werkenden, gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden betalen met zijn allen de rekening voor de plannen van de nieuwe coalitie in deze onzekere tijden. Bedrijven en vermogenden worden ontzien.
De laagste inkomens en de uitkeringsgerechtigden betalen de hoofdprijs voor de plannen van het nieuwe kabinet. ‘Het is ongehoord dat de coalitie de rekening hoofdzakelijk neerlegt bij de zwakste schouders’, stelt CNV-voorzitter Piet Fortuin.
Infographic analyse coalitieakkoord 2026-2030: uitgaven en lastenbeeld

