Het concept Fiscaal verzamelbesluit 2026 is op internetconsultatie.nl geplaatst. De einddatum van de consultatie is 13 maart 2026.
In het Fiscaal verzamelbesluit 2026 zijn een aantal uiteenlopende (doorgaans technische) maatregelen opgenomen. In de nota van toelichting wordt bij de betreffende maatregelen een nadere toelichting gegeven.
In het Fiscaal verzamelbesluit 2026 staan een aantal wijzigingen van uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen, douane en toeslagen. Het gaat onder meer om wijzigingen in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 en Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB 1965).
Keuzerecht voor partiële buitenlandse belastingplicht
Het keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen, de partiële buitenlandse belastingplicht, is met ingang van 1 januari 2025 vervallen. Het keuzerecht voor de partiële buitenlandse belastingplicht gaf aan houders van een goedkeurende beschikking voor de toepassing van de expatregeling de mogelijkheid om te kiezen om voor box 2 en box 3 van de inkomstenbelasting te worden behandeld als buitenlandse belastingplichtige.
Overgangsregeling eindigt per 2027
Werknemers die vóór 2024 al gebruik maakten van de expatregeling kunnen, op basis van overgangsrecht, nog tot en met uiterlijk 20026 gebruik maken van het keuzerecht partiële buitenlandse belastingplicht (overgangsregeling).
Per 1 januari 2027 eindigt de overgangsregeling. Daarom wordt in dit besluit geregeld dat ook de lagere regelgeving op het terrein van het overgangsrecht voor het keuzerecht per 1 januari 2027 komt te vervallen.
Aanpassingen expatregeling
Met de wijzigingen in het UBLB 1965 worden een aantal zaken met betrekking tot de forfaitaire
vergoedingsregeling voor uit het buitenland aangeworven specifiek deskundige werknemers
(expatregeling) aangepast die het gevolg zijn van eerdere aanpassingen in de Wet LB 1964.
Een omissie wordt met terugwerkende kracht hersteld tot en met 1 januari 2025. Door middel van het amendement Omtzigt c.s. is de expatregeling met ingang van 1 januari 2024 omgezet van een regeling met een forfait op basis van een vast maximum percentage naar een regeling waarbij het maximumpercentage gedurende de looptijd van de regeling na elke periode van 20 maanden werd verlaagd: maximaal 30% gedurende de eerste periode van 20 maanden, maximaal 20% in de daaropvolgende periode van 20 maanden en maximaal 10% in de laatste 20 maanden.
Vast maximum
De lagere regelgeving in het UBLB 1965 is ook met ingang van 1 januari 2024 aangepast aan deze 30-20-10-regeling. Met ingang van 1 januari 2025 is de 30-20-10-regeling echter grotendeels teruggedraaid en is weer een vast maximum voor de expatregeling geherintroduceerd van 30% voor de jaren 2025 en 2026 en 27% vanaf 2027.
Abusievelijk is de lagere regelgeving niet ook weer aangepast aan een vast maximumpercentage gedurende de hele looptijd van de expatregeling. Via dit wijzigingsbesluit wordt dit alsnog geregeld. Daarnaast wijzigt het maximumpercentage nogmaals per 2027.
Maximumpercentage wordt 27%
Het maximumpercentage van de expatregeling wordt per 1 januari 2027 verlaagd van 30% naar 27%. In dit besluit wordt geregeld dat de verlaging van het percentage met ingang van 1 januari 2027 ook in het UBLB 1965 wordt opgenomen.
Verhoging salarisnormen
Ook de salarisnormen worden aangepast. Bij het grotendeels terugdraaien van de 30-20-10-regeling in het Belastingplan 2025 is ook aangegeven dat de salarisnormen voor de expatregeling met ingang van 1 januari 2027 worden verhoogd.
De verhoging van de salarisnormen is een aanscherping van het deskundigheidsvereiste. Minder werknemers komen dan in aanmerking voor de expatregeling. Sommige werknemers kunnen bij uitruil van brutoloon voor een vergoeding op grond van de expatregeling een lager deel van hun brutosalaris als vergoeding op grond van de expatregeling ontvangen van hun werkgever.
Voor de verhoging van de salarisnorm is aangesloten bij de salarisnorm die verbonden is aan de kennismigrantenregeling voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning.
Referteperiode en indexatie pensioengevend loon
Met dit wijzigingsbesluit wordt het UBLB 1965 aangepast op het punt van de referteperiode voor het pensioengevend loon voor het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en voor het wezenpensioen. Hetzelfde geldt bij pensioenopbouw in een periode van onbetaald verlof en bij pensioenopbouw in een periode na ontslag. Daarnaast vindt een aanpassing plaats met betrekking tot de indexatie van het pensioengevend loon voor de situatie van vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds.
In de uitvoeringspraktijk is naar voren gekomen dat de huidige tekst van het UBLB 1965 op deze punten tot ongewenste uitkomsten kan leiden. Met deze technische wijzigingen wordt daarom bewerkstelligd dat op deze punten wordt aangesloten bij de uitvoeringpraktijk.
Inhoudingsplicht LB niet of niet langer kwalificerende lijfrenten
Met de Fiscale verzamelwet 2026 (FVW 2026) is in de Wet IB 2001 opgenomen dat niet of niet langer kwalificerende lijfrenten waarvoor geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen, belast blijven als periodieke uitkeringen en verstrekkingen in box 1 van de inkomstenbelasting. Voor termijnen van lijfrenten geldt op grond van het UBLB 1965 een inhoudingsplicht voor de loonbelasting.
Met dit wijzigingsbesluit wordt dit overeenkomstig geregeld voor termijnen of uitkeringen van niet of niet langer kwalificerende lijfrenten die een verzekeraar, een bank, een beleggingsonderneming of een zogenoemde beheerder verstrekt. De inhoudingsplicht is van toepassing op reguliere uitkeringen en bijvoorbeeld op uitkeringen bij afkoop.

