Ook moet de opdrachtgever een schadevergoeding betalen voor het niet aanbieden van een vervangende arbeidsovereenkomst. De opdrachtgever hoeft de transitievergoeding niet te betalen.
Waar gaat deze zaak over?
Een payrollbedrijf is een specialist in payroll- en personeelsdiensten en voorziet horecaondernemingen van diensten zoals loonadministratie en verzuimmanagement.
Het horecabedrijf exploiteerde een gebouw voor onder meer feesten en trouwerijen. Sinds 29 maart 2024 is het horecabedrijf uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en ontbonden met een turboliquidatie.
Inlenen op basis van payroll
Sinds 2017 bracht het horecabedrijf het personeel onder bij het payrollbedrijf om dit personeel vervolgens op basis van payroll in te lenen. Het payrollbedrijf fungeerde hierbij als werkgever en betaalde de door het personeel gewerkte uren uit aan de medewerkers. Het payrollbedrijf factureerde de uitbetaalde uren aan het horecabedrijf, vermenigvuldigd met een tarieffactor.
Overeenkomst
Hiertoe heeft het payrollbedrijf een concept-raamovereenkomst aan het horecabedrijf verstrekt. Bij de overeenkomst hoort een tariefbijlage en de algemene voorwaarden van een payrollbedrijf zijn van toepassing verklaard.
Arbeidsovereenkomst bij einde samenwerking
Artikel 9 van de conceptovereenkomst (versie 2020) luidt:
“Artikel 9: Overname personeel bij eindigen samenwerking
Op het moment dat Opdrachtgever de samenwerking met Werkgever beëindigt, of Werkgever beëindigt de samenwerking met Opdrachtgever, is Opdrachtgever verplicht om al het ingeleende personeel een arbeidsovereenkomst aan te bieden tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden. Hieronder valt looptijd, salaris, functie, werktijden, werklocatie, secundaire arbeidsvoorwaarden en andere componenten die hier onder kunnen vallen. Deze arbeidsovereenkomst dient in te gaan op de einddatum van de samenwerking tussen opdrachtgever en werkgever.”
Verantwoordelijk voor loondoorbetaling
Daarnaast bepaalt artikel 14 van de overeenkomst (versie 2020) het volgende:
“Artikel 14: Doorbetaling bedrijfsstagnatie
Opdrachtgever en Werkgever komen overeen dat in het geval van bedrijfsstagnatie Opdrachtgever verantwoordelijk is voor de loondoorbetaling van de door Opdrachtgever bij Werkgever ondergebrachte werknemers. De kostenfactor en betalingsafspraak is gelijk aan wat in deze overeenkomst is vastgelegd.”
Loonkosten voor rekening opdrachtgever
Op grond van artikel 6 lid 3 van de algemene voorwaarden geldt in aanvulling op de verplichting voor het horecabedrijf om een arbeidsovereenkomst aan te bieden aan het personeel bij beëindiging van de samenwerking tussen het horecabedrijf en het payrollbedrijf:
“3. (…) Indien werknemer deze niet aanvaardt, blijven eventuele loonkosten die een payrollbedrijf aan de medewerker moet doorbetalen voor rekening van Opdrachtgever tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst tussen een payrollbedrijf en de medewerker.”
Altijd recht op transitievergoeding
De bepaling onder f van de bij de overeenkomst horende tariefbijlage vermeldt dat een medewerker van wie het contract van rechtswege afloopt of waarbij het contract wordt ontbonden op initiatief van het horecabedrijf dan wel het payrollbedrijf, vanaf 1 januari 2020 altijd recht heeft op transitievergoeding. Verder staat dat de kosten van de transitievergoeding niet worden doorberekend aan het horecabedrijf.
In het najaar van 2023 heeft het horecabedrijf de exploitatie moeten beëindigen omdat de gemeente de verhuur van het gebouw niet wilde voortzetten.
Samenwerking opgezegd
Het payrollbedrijf heeft op 1 oktober 2023 per e-mail de samenwerking met het horecabedrijf opgezegd wegens een gebrek aan communicatie en duidelijkheid over de toekomst van het horecabedrijf.
Na de beëindiging van de samenwerking tussen het payrollbedrijf en het horecabedrijf, heeft het payrollbedrijf geprobeerd de arbeidsovereenkomsten met het door het horecabedrijf ingeleende personeel te beëindigen. Met één medewerkster is dit niet gelukt, waardoor het payrollbedrijf uiteindelijk een vaststellingsovereenkomst met haar sloot.
Vaststellingsovereenkomst
Op grond van de vaststellingsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 februari 2024 beëindigd. Tot deze einddatum betaalde een payrollbedrijf het gebruikelijke salaris. De kosten hiervoor inclusief de bovengenoemde tarieffactor, in totaal € 71.798, heeft het payrollbedrijf gefactureerd aan het horecabedrijf.
Facturen niet betaald
Het horecabedrijf heeft de facturen van het payrollbedrijf niet betaald. Hiertoe heeft het payrollbedrijf in november en december 2023 meerdere aanmaningen gestuurd en een extern incassobureau ingeschakeld. Op 17 januari 2024 stuurde het incassobureau een laatste aanmaning en partijen hebben tot april 2024 met elkaar gecorrespondeerd, maar het horecabedrijf heeft niet betaald.
Aansprakelijk voor schade
Het payrollbedrijf vordert onder meer dat de rechtbank voor recht verklaart dat het horecabedrijf tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en aansprakelijk is voor de door een payrollbedrijf als gevolg daarvan geleden schade.
Partijen zijn het erover eens dat tussen hen een overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan voor het horecabedrijf de verplichting bestond om al het ingeleende personeel een arbeidsovereenkomst aan te bieden tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden op het moment dat de samenwerking tussen het payrollbedrijf en het horecabedrijf werd beëindigd. Hierdoor rustte op het horecabedrijf een resultaatsverbintenis, waarbij het voor zijn risico komt of het mogelijk is om het ingeleende personeel een arbeidsovereenkomst aan te bieden.
Onmogelijk om verplichting na te komen
Door de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van het horecabedrijf is het feitelijk onmogelijk geworden de verplichting uit artikel 9 van de overeenkomst na te komen. Reden voor de beëindiging van de exploitatie van het horecabedrijf was het stoppen van het huurcontract door de gemeente. Hierdoor was de werklocatie niet langer beschikbaar en zijn alle arbeidsplaatsen bij het horecabedrijf komen te vervallen. Daarom kon het horecabedrijf niet een arbeidsovereenkomst aanbieden aan het ingeleende personeel.
‘Overmacht’
Het horecabedrijf erkent dat dit een tekortkoming in de nakoming van artikel 9 van de overeenkomst is, maar stelt zich op het standpunt dat deze tekortkoming niet aan het bedrijf is toe te rekenen (overmacht). Hierin wordt het bedrijf niet gevolgd. Het horecabedrijf was op grond van de overeenkomst gehouden vervangende arbeidsovereenkomsten aan te bieden aan het ingeleende personeel.
Daarnaast zouden eventuele loonkosten die het payrollbedrijf aan het personeel moest doorbetalen voor rekening van het horecabedrijf komen. Nakoming van die doorbetalingsverplichting is niet onmogelijk.
Aanspraak op opzegtermijn
Het verweer van het horecabedrijf dat het payrollbedrijf de schade had kunnen beperken door de arbeidsovereenkomst per 1 december 2023 op te zeggen gaat niet op. De medewerkster had immers aanspraak op inachtneming van een opzegtermijn en die vormt de basis voor de bepalingen in de vaststellingsovereenkomst.
Doorbetaling loon vóór 1 november 2023
Per 1 november 2023 was het niet meer mogelijk om werkzaamheden te verrichten voor het horecabedrijf. In de vaststellingsovereenkomst is daartoe vastgelegd dat de medewerkster vanaf 1 november 2023 is vrijgesteld van werk met behoud van loon.
Voor de maanden augustus, september en oktober 2023 is dus sprake van de reguliere doorbetaling van loon, dat voor rekening van het horecabedrijf komt. Hiervoor geldt dat loon aan het horecabedrijf wordt doorberekend tegen de door partijen overeengekomen tarieffactor van 1,595. Dit komt neer op een bedrag van € 19.109,85 (3.993,70 x 1,595 = 6.369,95 x 3 maanden).
Vergoeding loonkosten na 1 november 2023
In de maanden november 2023, december 2023 en januari 2024 verrichtte de medewerkster niet langer werk voor het horecabedrijf. Op grond van de vaststellingsovereenkomst heeft het payrollbedrijf loon over deze maanden doorbetaald aan de medewerkster.
Schadevergoeding
Het horecabedrijf moet deze loonkosten vergoeden omdat het bedrijf aan de medewerkster geen vervangende arbeidsovereenkomst heeft kunnen aanbieden en zodoende niet de verplichting uit de overeenkomst heeft kunnen nakomen. De grondslag voor vergoeding van deze kosten is daarom schadevergoeding.
Tarieffactor behoort niet tot schade
De overeenkomst bepaalt niet dat voor schadevergoeding ook een tarieffactor wordt doorberekend. Voor deze maanden behoort de tarieffactor dus niet tot de schade. Dit komt uit op een bedrag van € 11.981,1 (3.993,70 x 3 maanden). Dat geldt ook voor de uitbetaling van verlofdagen (€ 2.977,34) en voor de beëindigingsvergoeding (€ 4.313). Ook deze kosten zijn niet doorberekend tegen de tarieffactor, zodat het horecabedrijf deze kosten moet vergoeden zonder toepassing van de tarieffactor.
Transitievergoeding niet doorberekend
Voor de transitievergoeding geldt dat onder f in de tariefbijlage is opgenomen dat de kosten bij het uitbetalen van deze transitievergoeding niet worden doorberekend aan het horecabedrijf. Daar komt nog bij dat het horecabedrijf een e-mail van een payrollbedrijf van 26 juli 2023 in het geding heeft gebracht waarin een payrollbedrijf schrijft dat de transitievergoeding “conform de afspraak voor ons” is.
Dit bericht staat haaks op het standpunt van een payrollbedrijf dat voor het bedrijf niet duidelijk was wat er met het horecabedrijf zou gebeuren. Als de toekomst van het horecabedrijf daadwerkelijk onduidelijk was, zoals het payrollbedrijf stelt, is niet verklaarbaar waarom in de die mail al over een transitievergoeding wordt gesproken. Het bedrag van € 16.374 voor de transitievergoeding wordt afgewezen.
Uitspraak Rechtbank Amsterdam, 3 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7317

