De kennisgroep Resultaat uit Overige Werkzaamheden van de Belastingdienst heeft de vraag beantwoord of het verstrekken van een lening (mede in het belang van de werkgever) tot gevolg heeft dat de gewone aandelen als een (onmiddellijk gehouden) lucratief belang moeten worden aangemerkt.
Waar gaat deze casus over?
Werknemer C is in dienstbetrekking bij W BV. De aandelen in W BV worden indirect gehouden door A en B. C krijgt het aanbod om indirect 10% van de aandelen in W BV te verwerven. De waarde van de aandelen in W BV wordt bepaald op € 4.000.000. Deze waarde is afgestemd met de Belastingdienst die hiermee akkoord is gegaan.
Het aandelenkapitaal van W BV bestaat alleen uit gewone aandelen. A en B hebben direct en ook niet indirect leningen aan W BV verstrekt. De aandelen W BV kennen ook overigens geen bijzondere condities.
De vennootschappelijke structuur vóór toetreding door C kan als volgt worden weergegeven:

In het kader van de toetreding van werknemer C wordt TH BV opgericht door HA BV en HB BV. Het geplaatste nominale aandelenkapitaal bedraagt € 100.000. HA BV en HB BV storten de aandelen W BV op de gewone aandelen. Daardoor ontstaat een agio van € 3.900.000.
C richt HC BV op. Het geplaatste aandelenkapitaal bedraagt € 1.000. C stort € 40.000 op de gewone aandelen HC BV, waardoor tot een bedrag van € 39.000 agio in HC BV ontstaat.
HA BV en HB BV verkopen 10% van de aandelen TH BV aan HC BV voor in totaal € 400.000.
Voorwaarden lening
Voor de financiering van de koopsom lenen A en B gezamenlijk € 360.000 aan HC BV. HC BV legt € 40.000 aan eigen middelen in. De lening van A en van B aan HC BV kent de volgende voorwaarden:
- De looptijd is 5 jaar.
- Voor de lening geldt een jaarlijkse verplichte aflossing van 20%.
- Dividenden en vervreemdingswinsten op de aandelen in TH BV worden verplicht aangewend voor de betaling van de verschuldigde rente en aflossing van de lening.
- De rente is 2% en is jaarlijks verschuldigd.
- Als zekerheid is een pandrecht op de aandelen TH BV verstrekt.
- De lening wordt niet kwijtgescholden als bij de verkoop van de aandelen TH BV een restschuld overblijft.
Na toetreding van C kan de vennootschappelijke structuur als volgt worden weergegeven:

Vraag en antwoord
Heeft het verstrekken van de lening door A en B (mede in het belang van de werkgever) aan HC BV tot gevolg dat de gewone aandelen in HC BV een (onmiddellijk gehouden) lucratief belang vormen bij C?
Nee. Er is geen sprake van een lucratief belang in HC BV omdat het beloningsoogmerk ontbreekt.
Lucratief belang
Van een lucratief belang is alleen sprake als de voordelen die belastingplichtige behaalt, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder de vermogensrechten zijn verkregen of schulden zijn aangegaan, naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige (beloningsoogmerk), art. 3.92b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001.
Beloningsoogmerk
Bij de beoordeling van het beloningsoogmerk is doorgaans relevant of de aandelen voor iedereen beschikbaar zijn op een vrije markt, of dat de aandelen slechts worden aangeboden aan een beperkte groep. Dit criterium is niet goed toepasbaar op deze casus, omdat HC BV door C zelf is opgericht. HC BV is om persoonlijke reden opgericht. Daarom is het nooit de bedoeling geweest om de aandelen aan te bieden op een vrije markt.
Bij de beoordeling van het beloningsoogmerk is ook relevant of de aandelen onder marktconforme condities zijn verkregen. Ook dit criterium is niet goed toepasbaar op deze casus, weer omdat HC BV door C zelf is opgericht. Daarom kunnen deze criteria in deze casus niet goed worden toegepast bij de beoordeling van het beloningsoogmerk.
Toetsingskader bij ‘reguliere’ werknemersparticipaties
De toets aan het toetsingskader bij ‘reguliere’ werknemersparticipaties leidt tot het volgende:
- Uit de casus blijkt dat op de aandelen in HC BV geen good leaver of bad leaver bepalingen van toepassing zijn.
- Verder zijn geen tag- of drag-along bepalingen van toepassing op de aandelen HC BV. Daaruit blijkt dat C niet verplicht is om zijn aandelen in HC BV te vervreemden als hij zijn werkzaamheden voor W BV beëindigt. Daaruit kan worden afgeleid dat het rendement op de aandelen HC BV niet mede een vergoeding vormt voor de arbeid van C.
- Ook is het rendement op de aandelen HC BV niet afhankelijk gesteld van managementdoelstellingen. Hieruit kan worden afgeleid dat het rendement op de aandelen HC BV niet mede een vergoeding vormt voor de arbeid van C.
- C is gericht op het indirect houden van de aandelen W BV op lange termijn. Er is geen sprake van een beoogde exit. C was in dienstbetrekking bij W BV en blijft dit na de indirecte verwerving van de aandelen. Een indirecte verwerving van 10% van de aandelen in W BV kan als een substantieel aandelenbelang worden aangemerkt.
Niet voldaan aan beloningskenmerk
Of aan het beloningsoogmerk is voldaan, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden waaronder de aandelen door C zijn verkregen. De inspecteur beoordeelt dit. Kleine verschillen in deze voorwaarden kunnen leiden tot een ander oordeel.
In dit geval handelen A en B met de verstrekking van de geldlening aan HC BV primair als financier. Gelet op de specifieke feiten en omstandigheden van dit geval, zijn de voordelen behaald met het houden van de aandelen HC BV niet ook een beloning voor de werkzaamheden van C. Daarom wordt in dit geval niet voldaan aan het beloningsoogmerk.
KG:059:2026:1 Reguliere werknemersparticipatie en beloningsoogmerk lucratief belang

