De werkgever heeft één dienst ingetrokken binnen vier dagen voor aanvang van de dienst. Daarvoor is de werkgever nog wel loon verschuldigd aan de werknemer.
Waar gaat deze zaak over?
De werkgever is een onderneemster die ongeveer een jaar geleden een beautysalon is gestart.
Op 1 maart 2025 is de werknemer, destijds studente, bij de werkgever in dienst getreden op basis van een oproepovereenkomst voor de duur van één jaar. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat beide partijen de overeenkomst kunnen opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van 2 maanden.
Op enig moment is tussen partijen een geschil ontstaan, mede omdat de werknemer liever niet had dat er foto’s van haar op de social media kanalen van de werkgever zouden worden geplaatst.
De werkgever heeft daarna een schriftelijk aanbod gedaan om de arbeidsovereenkomst te beëindigen op een termijn van 2 maanden.
De werknemer is niet akkoord gegaan met dit voorstel en is naar de rechter gestapt.
Oproepovereenkomst
In dit geval is sprake van een oproepovereenkomst. Artikel 628a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een werknemer dan recht heeft op drie uur loon wanneer zij minder dan drie uur werkt en dat zij recht heeft op loon als de oproep binnen vier dagen voor aanvang schriftelijk wordt ingetrokken.
Loonbetaling
De werknemer heeft een schematisch overzicht gemaakt, waaruit volgens haar volgt dat zij nog recht heeft op een loonbetaling van € 1.054,50 netto. Voor een deel, namelijk voor een bedrag van € 463,98 bruto, heeft de werkgever de loonvordering erkend en dit bedrag heeft de werkgever ook al aan de werknemer betaald.
Ten aanzien van het overige deel van het verzoek van de werknemer wordt het volgende overwogen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat partijen het erover eens zijn dat uitgegaan moet worden van het wettelijk minimumloon van € 14,06 bruto per uur.
Op de mondelinge behandeling heeft de werkgever erkend dat de werknemer op 8 april 2025 zes uur heeft gewerkt. Die uren zijn nog niet aan haar betaald. Het gaat om een bedrag van € 84,36 bruto.
Dienst afgezegd, geen recht op loon
De werknemer heeft ook loon verzocht voor uren die zij had moeten werken op 25 maart 2025. Die oproep zou niet tijdig door de werkgever zijn ingetrokken. Uit appcontact tussen partijen blijkt echter dat de werknemer zelf heeft besloten deze dag niet te komen werken omdat zij zichzelf nog niet ervaren genoeg vond om ‘echte’ klanten te helpen (in plaats van modellen). Aangezien de werknemer zelf de dienst heeft afgezegd, heeft zij geen recht op loon voor deze uren.
Hetzelfde geldt voor het loon dat de werknemer heeft verzocht voor uren die zij had moeten werken op 29 april 2025. De werknemer was opgeroepen om te werken op deze dag, maar er zou maar één klant komen. De werknemer heeft daarom zelf, met het oog op de lange reistijd, de dienst afgezegd met een appbericht. Omdat de werknemer zelf de dienst heeft afgezegd, heeft zij geen recht op loon voor deze uren.
Geen ‘vaste’ werkdagen
Dan staan er nog een aantal dagen tussen partijen ter discussie (20 april 2025, 22 april 2025 en 6 mei 2025) waarop de werknemer niet heeft aangetoond dat zij is opgeroepen.
De werknemer stelt zich op het standpunt dat zij toch recht heeft op loon over deze dagen, omdat partijen vaste werkdagen zouden hebben afgesproken. Daarmee miskent de werknemer echter de essentie van de oproepovereenkomst, die erdoor wordt gekenmerkt dat de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet zijn vastgelegd.
Geen oproep, geen loon
Voor zover partijen al ‘vaste’ dagen zijn overeengekomen, kan dat in het licht van de oproepovereenkomst alleen maar zo worden uitgelegd dat de werknemer alleen deze dagen oproepbaar was. Als echter geen oproeping volgt, kan de werknemer geen aanspraak maken op loon.
‘Samen overlegd dat dienst vervalt’
Dan blijft over de loonvordering die betrekking heeft op 11 mei 2025. De werknemer was opgeroepen om op deze dag te werken, maar de werkgever stelt zich op het standpunt dat in gezamenlijk overleg is besloten deze dienst te laten vervallen.
De werkgever wordt niet gevolgd in dit standpunt, omdat onvoldoende is gebleken dat er gezamenlijk overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden over het verval van de dienst.
Geen keuze, maar mededeling
De werkgever heeft een appbericht aan de werknemer gestuurd. Daaruit volgt niet dat de werknemer een keuze had om de dienst wél door te laten gaan en ook niet dat zij de mogelijkheid heeft gekregen al dan niet in te stemmen met het vervallen van de dienst. Het appbericht is geen vraag aan de werknemer, maar eerder een mededeling.
Loon verschuldigd
Dit betekent dat de werkgever voor de dienst van 11 mei 2025 nog loon aan de werknemer is verschuldigd, omdat deze dienst is ingetrokken binnen vier dagen voor aanvang van de dienst. Het gaat om een bedrag van € 84,36 bruto.
De conclusie is dat de werknemer nog recht heeft op betaling van € 168,72 bruto aan achterstallig salaris. Over dit bedrag is wettelijke rente en wettelijke verhoging. De wettelijke verhoging wordt beperkt tot maximaal 25%. De wettelijke rente is toewijsbaar.
Niet ernstig verwijtbaar gehandeld
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026.
Geoordeeld wordt dat de werkgever niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. de werkgever is daarom geen billijke vergoeding verschuldigd.
De ernstige verwijtbaarheid, waarvan de werknemer claimt dat deze zich heeft voorgedaan, bestaat uit vier verschillende onderdelen. Het gaat onder meer om het verwijt van de werknemer dat de werkgever structureel niet, althans niet tijdig, het loon aan haar heeft betaald.
Het gaat om een bedrag van € 463,98 bruto dat de werkgever heeft erkend en al voorafgaand aan deze procedure aan de werknemer heeft betaald.
De werkgever heeft ten onrechte een bedrag van € 168,72 bruto nog niet betaald aan de werknemer, wat betrekking heeft op twee werkdagen van zes uur. Het is verwijtbaar dat de werkgever als werkgever het loon niet volledig heeft betaald, maar het gaat hier om een klein bedrag waarmee de lat van ernstig verwijtbaar handelen niet wordt gehaald.
Daarbij moet worden meegewogen dat de werknemer ook – onterecht – aanspraak heeft gemaakt op een veel hoger bedrag aan achterstallig loon, hetgeen de onderlinge verhouding geen goed heeft gedaan.
De werkgever is ook geen transitievergoeding verschuldigd, omdat geen sprake is van een situatie als omschreven in artikel 7:673 lid 1 sub b aanhef en onder 2 BW.
Uitspraak Rechtbank Amsterdam, 17 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10251

