De werkgever moet een nieuwe eindafrekening maken en het verschil tussen de vorige en de nieuwe afrekening betalen. Dat oordeelt de kantonrechter.
De werknemer werkte bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd per 26 september 2025 en wil nu in dienst treden bij een concurrerend bedrijf. De werknemer eist dat de kantonrechter het concurrentiebeding per direct schorst, zodat hij bij de nieuwe werkgever kan gaan werken.
Leaseauto inleveren
De werknemer heeft daarnaast zijn leaseauto moeten inleveren en er zijn door de werkgever kosten voor de leaseauto van de eindafrekening afgetrokken. Volgens de werknemer is dit onterecht. Hij eist dat de kantonrechter de werkgever veroordeelt om mee te werken aan het overdragen van het leasecontract aan het nieuwe bedrijf, op straf van een dwangsom.
Nieuwe eindafrekening
De werknemer vraagt de kantonrechter verder om de werkgever te verbieden om kosten voor de leaseauto in rekening te brengen. Hij wil dat de kantonrechter de werkgever daarom veroordeelt om een nieuwe afrekening op te stellen, op straf van een dwangsom, en de werkgever veroordeelt om het verschil met de vorige eindafrekening uit te betalen, met wettelijke verhoging.
De werkgever is het ook met deze eisen niet eens. Hij vindt dat zij het recht had om de werknemer de leaseauto te laten inleveren en om bedragen in te houden op de eindafrekening.
Keuze niet gemaakt
Aangezien het beding pas wordt geschorst per 1 juli 2026, wordt de werkgever niet veroordeeld om mee te werken aan het overdragen van het leasecontract aan het nieuwe bedrijf. Op grond van artikelen 4.2 en 4.3 van de tussen partijen overeengekomen gebruiksovereenkomst kan de werknemer er onder bepaalde omstandigheden voor kiezen bij het einde van de arbeidsovereenkomst de leaseovereenkomst mee te nemen naar de nieuwe werkgever, maar die keuze moet dan wel uiterlijk per het einde van de overeenkomst worden gemaakt. Dat is in dit geval niet gebeurd.
Is aan voorwaarden voldaan?
Daarnaast moet ook de nieuwe werkgever zich uitdrukkelijk schriftelijk akkoord verklaren met overname van de leaseovereenkomst en moet de leasemaatschappij geen bezwaar hebben. Er is niet gesteld of gebleken dat aan die voorwaarden voldaan is.
Gebruiksovereenkomst voor vier jaar
De werkgever is in 2024 een gebruiksovereenkomst voor vier jaar aangegaan. Deze overeenkomst zou dus voorlopig nog doorlopen. De werknemer heeft de auto op 15 september 2025 ingeleverd.
De werkgever heeft daarop drie leasetermijnen ingehouden op zijn eindafrekening van in totaal € 2.430,60. Volgens de werknemer mocht dit niet. Hij wil dat geld alsnog uitbetaald krijgen.
Alleen kosten voor afkoop of voortijdig einde
De kantonrechter vindt het onaannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de werkgever dit bedrag mocht inhouden. In de gebruiksovereenkomst staat namelijk dat de werkgever alleen de kosten voor de afkoop of voortijdige beëindiging van de leaseovereenkomst in rekening mag brengen.
Tijdens de zitting heeft de werkgever aangegeven dat geen sprake is van afkoop of voortijdige beëindiging, maar dat de auto bij de zaak staat. Er is daarom geen basis om toch kosten in rekening te brengen.
Nieuwe eindafrekening
De werknemer heeft geëist dat de werkgever wordt veroordeeld om een eindafrekening op te stellen waarin “uitsluitend de gebruikelijke fiscale inhoudingen plaatsvinden”. Hij heeft niet gesteld wat los van de advocaatkosten en leasetermijnen mis is met de eindafrekening. De werkgever wordt daarom veroordeeld om een nieuwe afrekening op te stellen, waarbij hij dus geen leasetermijnen en btw over de advocaatkosten inhoudt.
Verschil betalen
De werknemer eist ook dat de werkgever wordt veroordeeld om het verschil tussen de vorige eindafrekening en de nieuwe eindafrekening uit te betalen. Die eis hangt samen met het voorgaande en wordt toegewezen. Het gaat om een bedrag van € 2.532,77 (€ 2.430,60 en € 102,17).
De werknemer eist ook de wettelijke verhoging over dat bedrag. De kantonrechter wijst die eis toe, maar hij beperkt die in dit kort geding wel tot 10%.
Uitspraak Rechtbank Rotterdam, 18 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14979

