Ten onrechte heeft UWV geen loonsanctie aan de werkgever opgelegd waardoor de ex-werknemer schade heeft geleden, aangezien in het derde ziektejaar geen pensioenpremie is betaald.
UWV heeft erkend dat een loonsanctie had moeten worden opgelegd. De rechtbank heeft de ex-werknemer een schadevergoeding van € 1.360 voor pensioenschade toegekend.
‘Op te laag bedrag vastgesteld’
De ex-werknemer vindt dat de door de rechtbank toegekende vergoeding voor pensioenschade op een te laag bedrag is vastgesteld. De Raad volgt de ex-werknemer ten aanzien van de pensioenschade en stelt de schadevergoeding hiervoor vast op € 6.589,36.
Waar gaat deze zaak over?
De ex-werknemer werkte als sales director bij de werkgever tegen een salaris boven het maximum dagloon voor de werknemersverzekeringen. Per 31 oktober 2016 heeft hij zich ziekgemeld. Gedurende de wachttijd van twee jaar voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de werkgever het loon van de ex-werknemer doorbetaald, waarbij het loon in het tweede ziektejaar is beperkt tot 70%.
Loondoorbetalingsplicht niet verlengbaar
UWV heeft de ex-werknemer in een besluit van 1 november 2018 met ingang van 30 oktober 2018 een uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, omdat hij met ingang van die datum 80 tot 100% arbeidsongeschikt is.
In het besluit is verder vermeld dat de werkgever niet voldoende heeft gedaan aan zijn re-integratie waardoor het loon langer zou moeten worden doorbetaald. Hierover had UWV de werkgever vóór het einde van de wachttijd moeten informeren. Omdat dit niet is gebeurd, kan UWV de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever niet meer verlengen.
De ex-werknemer heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 november 2018 omdat hij van mening is dat UWV aan de werkgever een loonsanctie had moeten opleggen in plaats van aan hem een WIA-uitkering toe te kennen.
Verder heeft de ex-werknemer gesteld dat UWV onrechtmatig heeft gehandeld door geen loonsanctie op te leggen en heeft hij UWV aansprakelijk gesteld voor de als gevolg daarvan door hem geleden en te lijden schade.
Bij besluit van 3 januari 2019 heeft UWV het bezwaar van de ex-werknemer ongegrond verklaard omdat niet meer tot verlenging van de loondoorbetalingsplicht kan worden overgegaan.
Verzoek om schadevergoeding
De ex-werknemer heeft in beroep tegen het bestreden besluit verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat UWV aan de werkgever een loonsanctie had moeten opleggen en dat het niet opleggen hiervan onrechtmatig is jegens de ex-werknemer, die daardoor potentieel kan worden benadeeld.
Niet meer dan 70% maximum dagloon
De rechtbank heeft over de door de ex-werknemer gestelde loonschade overwogen dat de werkgever in het derde ziektejaar op grond van het bepaalde in artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 25, negende lid, van de Wet WIA niet verplicht was om meer dan 70% van het maximum dagloon te betalen. In de voor de ex-werknemer geldende cao is voor het derde ziektejaar geen andere regeling opgenomen.
Geen individuele afspraken
Ook is niet gebleken dat de werkgever en de ex-werknemer apart van de cao individuele afspraken hebben gemaakt over loondoorbetaling in het derde ziektejaar.
Dat in de eerste loonperiode van het derde ziektejaar door de werkgever meer dan 70% van het maximum dagloon is doorbetaald, is onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat de werkgever die betaling ongewijzigd zou hebben voortgezet in de rest van het derde ziektejaar.
Dat de werkgever zonder daartoe verplicht te zijn gedurende een jaar een te hoog salaris zou blijven betalen, is ook niet aannemelijk en door de ex-werknemer verder niet onderbouwd.
Uitkering in mindering
De loonschade is volgens de rechtbank daarom niet meer dan 70% van het maximum dagloon. Bij de berekening van de schadevergoeding moet over het bedrag aan gemist loon de over de betreffende periode ontvangen uitkering in mindering worden gebracht.
Aangezien de WIA-uitkering ook 70% van het maximum dagloon bedraagt, is de loonschade hiermee volledig gecompenseerd. De gestelde loonschade komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
Pensioenschade
De rechtbank heeft het door UWV aan de ex-werknemer te vergoeden bedrag voor pensioenschade op € 1.360 vastgesteld. De rechtbank heeft hiertoe gewezen op rechtspraak van de Raad waarin is bepaald dat de door de werknemer misgelopen werkgeversbijdrage in de pensioenpremie als te verhalen schade is aan te merken.
Misgelopen premie
De rechtbank baseert de pensioenschade alleen op de misgelopen premie die door de werkgever in het derde ziektejaar zou zijn afgedragen over een salaris gebaseerd op 70% van het maximum dagloon. Dit is € 38.996 in het derde ziektejaar. Na aftrek van de franchise van € 13.344 wordt de pensioengrondslag € 25.652.
€ 1.360
Uit de door de ex-werknemer ingebrachte stukken volgt dat de pensioenpremie die de werkgever over de grondslag afdroeg tot 1 oktober 2018 5,3% bedroeg. Dit leidt tot een pensioenschade van € 1.360 (5,3% x € 25.652). UWV moet over dat bedrag ook de wettelijke rente vergoeden vanaf 30 oktober 2018, de datum waarop de loonsanctie zou zijn ingegaan.
Uitspraak Centrale Raad van Beroep, 7 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:11

