De werknemer verzoekt de kantonrechter de gemeente te veroordelen tot betaling van:
- € 862,46 netto aan wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het te laat betaalde salaris van de maand mei 2024;
- € 1.956,56 netto voor onterecht ingehouden salaris/IKB over de maanden november en december 2024, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.
Waar gaat deze zaak over?
De werknemer heeft zich op 1 november 2021 ziek gemeld.
Bij beslissing van 3 mei 2024 heeft UWV per 30 oktober 2023 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% aan de werknemer toegekend.
De werknemer heeft ervoor gekozen om de WIA-uitkering aan de gemeente te laten uitbetalen. Bij de eerstvolgende salarisbetaling in mei 2024 ontving de werknemer € 704,45 netto in plaats van haar gebruikelijke salaris. Na bezwaar door de werknemer heeft de gemeente op 20 juni 2024 een aanvulling van € 1.658,58 netto betaald.
Omdat de werknemer in de veronderstelling was dat zij per 1 november 2024, na drie jaar arbeidsongeschiktheid, uit dienst zou treden, heeft zij het UWV verzocht om per die datum de WIA-uitkering aan haar uit te betalen in plaats van aan de gemeente.
De gemeente heeft in november en december 2024 geen salaris uitbetaald, maar wel een bedrag van € 683,49 bruto per maand ingehouden op het individueel keuzebudget (IKB) onder vermelding van ‘Vermindering i.v.m. samenloop uitkering’ en een bedrag van € 294,79 bruto per maand ingehouden aan pensioenpremie.
Onjuiste verrekening met WIA-uitkering
De werknemer heeft in mei 2024 € 704,45 netto aan salaris van de gemeente ontvangen, in plaats van haar gebruikelijke salaris. Dit kwam volgens haar door een onjuiste verrekening met de WIA-uitkering.
Te laat betaald
De werknemer heeft hierover geklaagd bij de gemeente en na enige discussie heeft de gemeente op 20 juni 2024 een nabetaling van € 1.658,58 netto gedaan. Vanwege de te late betaling verzoekt de werknemer om de gemeente te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over dit bedrag.
Wettelijke verhoging
De gemeente heeft niet weersproken dat zij een fout heeft gemaakt bij de verrekening van de WIA-uitkering en dat zij daarom een deel van het salaris van mei 2024 te laat heeft betaald. Dat betekent dat zij op grond van artikel 7:625 BW een wettelijke verhoging wegens vertraging verschuldigd is.
De wettelijke verhoging bedraagt 5% per dag voor de vierde tot en met achtste werkdag en 1% voor elke volgende werkdag, met een maximum van 50%. De werknemer heeft berekend dat het salaris 35 dagen te laat is betaald en verzoekt daarom om een verhoging van € 862,46.
Werkdagen dat te laat is betaald
Het gaat echter niet om het aantal kalenderdagen, maar om het aantal werkdagen dat te laat is betaald. In de periode van 17 mei 2024 tot en met 20 juni 2024 ging het om 24 werkdagen. Dat leidt tot een wettelijke verhoging van € 680,02 (41% van € 1.658,58).
Matiging verhoging
De kantonrechter matigt dit echter tot de helft, dus € 340,01 netto, omdat sprake was van een fout en niet gebleken is dat de gemeente het salaris opzettelijk te laat heeft betaald. Het bedrag van € 340,01 netto wijst de kantonrechter toe.
Wettelijke rente
Ook de wettelijke rente over het te laat betaalde salaris is toewijsbaar. De gemeente moet de wettelijke rente betalen over het bedrag van € 1.658,58 over de periode van 17 mei 2024 tot en met 20 juni 2024.
Onterecht ingehouden IKB
De gemeente moet achterstallig salaris van november en december 2024 betalen.
De ex-werknemer verzoekt de gemeente te veroordelen tot betaling van € 1.956,56 netto voor onterecht ingehouden salaris/IKB over de maanden november en december 2024, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.
In november en december 2024 werd de WIA-uitkering van de werknemer door het UWV rechtstreeks aan haar uitbetaald, in plaats van aan de gemeente. De gemeente mocht de uitkering van de werknemer in mindering brengen op het te betalen salaris. In deze maanden heeft de gemeente daarom geen salaris aan de werknemer betaald.
Er is echter beide maanden een bedrag van € 683,49 bruto ingehouden op het IKB van de werknemer. Daarnaast is beide maanden een bedrag van € 294,79 bruto aan pensioenpremie ingehouden.
De gemeente heeft toegelicht dat zij dit heeft gedaan omdat zij verplicht was loonheffing en pensioenpremie in te houden. Volgens de gemeente staat dit los van de inhoudingen die het UWV heeft gedaan op de uitkering, omdat het een andere inkomstenverhouding betreft.
Geen brutosalaris verschuldigd
De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. De werknemer heeft in november en december 2024 een bedrag van € 3.311,22 bruto aan WIA-uitkering ontvangen. UWV heeft hier de loonheffing op ingehouden, waarna het nettobedrag aan de werknemer is uitbetaald.
De bruto WIA-uitkering is hoger dan het bedrag dat de werknemer, zonder deze WIA-uitkering, aan salaris zou hebben ontvangen. Dat was namelijk € 2.892,63 bruto. Dit betekent dat de gemeente geen brutosalaris aan de werknemer verschuldigd was.
Waarom loonheffing ingehouden?
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de gemeente loonheffing moest inhouden. De gemeente heeft daarom ten onrechte beide maanden een bedrag van € 683,49 ingehouden. Het verzoek van de werknemer om de gemeente te veroordelen deze bedragen alsnog uit de betalen, is dan ook toewijsbaar.
Ingehouden pensioenpremie
Dit geldt niet voor de ingehouden pensioenpremie. De werknemer was namelijk nog gewoon in dienst en de gemeente heeft voldoende gemotiveerd dat zij gehouden was de pensioenpremie te betalen. De werknemer is hier bovendien niet door benadeeld, omdat het geld ten goede komt aan haar pensioenopbouw. Het verzoek tot terugbetaling van de pensioenpremie wijst de kantonrechter daarom af.
Achterstallig salaris betalen
De gemeente moet € 1.366,98 bruto aan achterstallig salaris van de maanden november en december 2024 aan de werknemer moet betalen.
De wettelijke verhoging en de wettelijke rente over dit bedrag zijn ook toewijsbaar, met dien verstande dat de wettelijke verhoging wordt gematigd tot 25%, omdat sprake is van een fout en niet gebleken is van kwade wil bij het niet betalen van salaris.
Uitspraak Rechtbank Midden-Nederland, 14 januari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:46

