Mensen in werknemershuishoudens gingen er het meest op vooruit, mensen in bijstandshuishoudens het minst. Dit blijkt uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
De koopkrachtontwikkeling hangt samen met de belangrijkste inkomensbron van het huishouden waar mensen deel van uitmaken.
Grote koopkrachtstijging bij werkenden
Drie kwart van de mensen in werknemershuishoudens ging er in koopkracht op vooruit. Hun koopkracht steeg relatief fors, in doorsnee met 5,3 procent. Tegenover de cao-loonstijging van 6,8 procent stond een inflatie van 3,1 procent, waarmee de reële loonontwikkeling op 3,7 procent kwam. Werknemers hadden ook voordeel van de opnieuw gestegen arbeidskorting.
Verder kunnen werknemers zelf hun koopkracht vergroten, bijvoorbeeld door meer uren te gaan werken of door een andere baan met meer loon. Omgekeerd zorgden onder meer (tijdelijk) baanverlies of minder uren werken voor een koopkrachtdaling bij een kwart van de mensen in een werknemershuishouden.
De koopkrachtstijging bij zelfstandigen is in doorsnee 3,1 procent lager dan bij werknemers. Koopkrachtverlagende maatregelen zoals verlaging van de mkb-winstvrijstelling en zelfstandigenaftrek drukten de stijging.
De koopkrachtstijging van mensen in een bijstandshuishouden bedroeg 0,2 procent.
Voor gepensioneerden steeg de koopkracht in 2024 in doorsnee met 1,8 procent. Dit was de eerste koopkrachtstijging na drie jaren daling. Mensen met een aanvullend pensioen profiteerden van de indexatie van de pensioen, bovenop de verhoging van de AOW-uitkering.
De koopkracht van gepensioneerden in de hoogste inkomensgroep daalde in doorsnee met 1,8 procent. Dat hing samen met het verhoogde belastingtarief en het bevriezen van het heffingsvrije vermogen in box 3.


