De Belgische verkeersvlieger wordt fiscaal niet aangemerkt als binnenlandse of buitenlandse belastingplichtige en heeft bovendien geen belastbaar inkomen in Nederland genoten. Dat oordeelt de rechtbank.
Waar gaat deze zaak over?
Een man heeft de Belgische nationaliteit en is in 2021 alleenstaand. In dat jaar volgt hij een basisopleiding tot verkeersvlieger bij een Nederlandse opleider. Tijdens zijn opleiding huurt hij een kamer in Nederland maar hij schrijft zich niet in bij De Basisregistratie Personen van die gemeente. Op verzoek van het opleidingsinstituut om het contact met andere studenten zoveel mogelijk te vermijden in verband met de coronapandemie brengt hij zijn vrije tijd zo veel mogelijk door bij zijn ouders in België.
Geen Nederlandse bankrekening, geen inkomsten uit NL
De man heeft in 2021 en tot nu toe geen Nederlandse bankrekening en heeft in dat jaar geen inkomsten genoten uit Nederland. Hij heeft alleen voor aanvang van de studie een gering bedrag aan studie-inkomsten in België genoten.
Aangifte ingediend i.vm. scholingsuitgaven
De man dient in maart 2022 een aangifte IB/PVV 2021 in als binnenlands (P-biljet) belastingplichtige, waarin hij een bedrag van € 84.000 aan scholingsuitgaven als persoonsgebonden aftrek opvoert.
Op verzoek van de inspecteur dient hij ook een aangifte in als buitenlands belastingplichtigen (C-biljet). Ook in die aangifte neemt hij hetzelfde bedrag als scholingsuitgaven op.
Aftrek scholingsuitgaven niet geaccepteerd
De inspecteur stelt een nihilaanslag IB/PVV 2021 vast waarbij de man niet is aangemerkt als kwalificerend buitenlands belastingplichtige. Het gevolg daarvan is dat de scholingsuitgaven van € 84.000 niet voor aftrek in aanmerking worden genomen. Na het bezwaar van de man tegen de aanslag en de uitspraak op bezwaar van de inspecteur gaat de man in beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Het is aan de rechter om te beoordelen of de studiekosten terecht niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking heeft genomen maar meer nog of de man moet worden beschouwd als binnenlands belastingplichtige of als kwalificerend buitenlands belastingplichtige.
Belastingplichtig voor de inkomstenbelasting
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet IB 2001 belastingplichtig voor de inkomstenbelasting zijn: de natuurlijke personen die in Nederland wonen (binnenlands belastingplichtigen) en niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten (buitenlands belastingplichtigen).
Waar iemand woont wordt naar omstandigheden beoordeeld. Het komt er op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land. Dit betekent dat een betrokkenen in meerdere landen woonachtig kan zijn.
Geen duurzame band van persoonlijke aard
De man stelt zich op het standpunt dat hij gedurende de periode van de opleiding binnenlands belastingplichtig is. Naar het oordeel van de rechtbank rust de bewijslast voor de juistheid van dit standpunt op de man. De man voert daartoe aan dat hij in Nederland het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft. Zijn opleiding kon alleen in Nederland plaatsvinden, er werd een kamer gehuurd in Nederland, hij had geen andere eigen woonruimte elders en geen persoonlijke relatie in het buitenland. Na zijn afstuderen is hij ook in Nederland in dienst getreden als piloot op langeafstandsvluchten.
De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
Geen inwonerschap
Het enkele feit dat de man een opleiding van negen maanden in Nederland heeft gevolgd, leidt op zichzelf niet tot het aannemen van inwonerschap. Daarbij weegt voor de rechtbank mee dat de man gedurende het jaar 2021 niet in Nederland was ingeschreven in de Basisregistratie Personen, geen duurzame sociale of economische binding met Nederland heeft aangetoond, en zijn sociale leven zich hoofdzakelijk in België afspeelde. Dat dit mede werd veroorzaakt door de beperkingen vanwege de coronapandemie doet daar niet aan af.
Geen intentie om in NL te vestigen
Bovendien, zo oordeelt de rechtbank, heeft de man ook niet de intentie gehad om zich duurzaam in Nederland te vestigen. Hij volgde een opleiding ter voorbereiding op een dienstbetrekking als piloot voor langeafstandsvluchten, een beroep dat goed uit te oefenen is als je woonachtig bent in België. De man verklaarde tijdens de zitting na het afronden van de opleiding in België woonachtig te zijn geweest.
Geen inkomsten uit Nederlands bron
De rechtbank overweegt dat een buitenlands belastingplichtige wel aanspraak kan maken op een persoonsgebonden aftrek, indien hij is aan te merken als ‘kwalificerend buitenlandse belastingplichtige’. Daarvoor moet hij, volgens artikel 7.8 van de wet IB 2001, als inwoner van een andere lidstaat van de EU in de belastingheffing van die andere lidstaat zijn betrokken.
Het inkomen moet geheel of nagenoeg geheel in Nederland zijn onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting. Dit onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt.
Geen kwalificerend buitenlandse belastingplichtige
Volgens de rechtbank kan de man niet worden aangemerkt als kwalificerend buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet IB 2001.
De hoofdregel is namelijk dat slechts diegenen die niet in Nederland wonen maar wel inkomen genieten uit Nederland, als buitenlands belastingplichtige worden aangemerkt. In dit geval heeft de man geen inkomsten genoten uit Nederlandse bron, zodat geen sprake is van buitenlandse belastingplicht. Bij een gebrek van buitenlandse belastingplicht kan daarom geen sprake zijn van een kwalificerend buitenlandse belastingplichtige.
Non-discriminatiebepaling en Schumacker-doctrine
De man doet nog een beroep op de non-discriminatiebepaling opgenomen in het belastingverdrag tussen Nederland en België. De rechtbank stelt vast dat deze bepaling van toepassing is op een inwoner van België die inkomsten verkrijgt uit Nederland die ingevolge de bepalingen van het verdrag ter heffing aan Nederland zijn toegewezen. Omdat de man geen inkomsten heeft verkregen uit Nederland en niet aan de Nederlandse inkomstenbelastingheffing is onderworpen, is de rechtbank van oordeel dat hij geen beroep kan doen op de non-discriminatiebepaling.
Geen belastbaar inkomen, niet buitenlands belastingplichtig
Ook het beroep op de Schumacker-doctrine wordt door de rechtbank verworpen. Het uitgangspunt hiervan is dat de woonstaat (in dit geval België) rekening moet houden met de persoonlijke situatie van de belastingplichtige. Slechts in het uitzonderingsgeval dat de woonstaat geen rekening kan houden met aftrek in verband met persoonlijke omstandigheden omdat het inkomen geheel of nagenoeg geheel in de werkstaat wordt verdiend, is het aan de werkstaat om deze aftrekposten te verlenen. De rechtbank stelt vast dat de man over het jaar 2021 geen belastbaar Nederlands inkomen heeft genoten en daarom niet buitenlands belastingplichtig in Nederland is.
Vanwege het volgen van de opleiding heeft de man in het jaar 2021 slechts een zeer gering bedrag aan inkomsten in België genoten. Op basis van de feiten en omstandigheden is het in dit geval aan de woonstaat België om rekening te houden met de aftrek van scholingsuitgaven. De stelling van de man dat in België onvoldoende inkomsten zijn genoten om met deze aftrekpost rekening te houden maakt dit volgens de rechtbank in dit geval, waarbij er door de man in het jaar 2021 geheel geen inkomsten in Nederland zijn genoten, niet anders.
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4357

