De werknemer vordert van de ex-werkgever achterstallige betalingen. De ex-werkgever erkent een groot deel van de vorderingen maar vraagt een nadere onderbouwing van de gevorderde onkostenvergoeding.
Tussen partijen bestaat geen discussie over de verschuldigdheid van het niet ontvangen salaris, de vakantietoeslag, de vergoeding voor opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen en de vergoeding voor pensioen. De kantonrechter wijst deze vorderingen daarom toe.
Onkostenvergoeding
De werknemer vordert verder niet betaalde onkostenvergoeding. De werknemer stelt dat ook de onkostenvergoeding door de ex-werkgever erkend is.
De ex-werkgever heeft in de processtukken aangegeven dat hij het genoemde bedrag niet kan herleiden uit de administratie en vraagt zowel in de conclusie van antwoord als in de conclusie van dupliek om een nadere onderbouwing van het gevorderde bedrag.
De werknemer verwijst naar de opgave die zij heeft gedaan. Verder wijst de werknemer er op dat de ex-werkgever de vordering met betrekking tot de niet betaalde onkosten heeft erkend. In de documenten waar de werknemer naar verwijst is door de ex-werkgever geschreven: ‘Verder zijn nog de kostendeclaraties te vergoeden ad € 619,26’. De werknemer geeft verder geen nadere onderbouwing van de onkosten.
Geen expliciete erkenning
De kantonrechter leest in de hierboven geciteerde passage geen expliciete erkenning van de (hoogte van de) onkostenvergoeding. Weliswaar is het bedrag van € 619,26 in de correspondentie van de werknemer aan de ex-werkgever meerdere malen genoemd, maar in geen enkele reactie van de ex-werkgever erkent hij expliciet dat zij dat bedrag aan de werknemer verschuldigd is.
Nadere onderbouwing
Het bedrag van € 619,26 wordt weliswaar genoemd maar de kantonrechter leest dit zo dat dit bedrag op dat moment wordt meegenomen als één van de posten in een totale regeling ten aanzien van alle openstaande posten. Volgens de kantonrechter heeft de ex-werkgever daarmee niet het recht verspeeld om in deze procedure te vragen om een nadere onderbouwing van het bedrag van € 619,26.
Stel- en bewijsplicht bij werknemer
De stel- en bewijsplicht met betrekking tot de onkostenvergoeding rust op de werknemer. De werknemer heeft haar vordering op dit punt niet onderbouwd, anders dan met een opsomming van een aantal bedragen.
Niet gespecificeerd
De werknemer heeft niet gespecificeerd op welke (soort) onkosten deze bedragen betrekking hebben. Ook nadat de werknemer door de ex-werkgever in zowel de conclusie van antwoord als in de conclusie van dupliek expliciet wordt uitgenodigd om een nadere onderbouwing te geven van de onkostenvergoeding volstaat de werknemer met een verwijzing naar de opsomming van bedragen en naar de mail met daarin de hierboven geciteerde zin.
Vordering afgewezen
De kantonrechter oordeelt dat de werknemer daarmee niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd waar de onkosten op zien. Om deze reden wijst de kantonrechter dit deel van de vordering van de werknemer af.
Achterstallig loon afgewezen
De kantonrechter veroordeelt de ex-werkgever om aan de werknemer een bedrag van € 6.865,21 netto te betalen voor het niet ontvangen netto salaris over de periode 1 september 2020 tot 1 september 2023, een bedrag van € 506,88 bruto voor de vakantietoeslag, een bedrag van € 3.707,86 bruto voor een vergoeding voor de opgebouwde, maar niet opgenomen vakantiedagen en een bedrag van € 3.971,68 bruto voor een vergoeding voor pensioen.
Wettelijke verhoging
De werknemer vordert een wettelijke verhoging van 50% over het niet ontvangen nettoloon, de vakantietoeslag, de vergoeding voor opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen en de vergoeding voor pensioen.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat onder ‘loon’ in de zin van (de voorloper van) artikel 7:625 BW ‘alle vergoedingen voor in loondienst verrichte werkzaamheden’ moeten worden verstaan. Daaronder vallen niet alleen het salaris, maar ook vakantietoeslag, de uitkering in geld voor niet-genoten vakantiedagen en een vergoeding voor pensioen.
De gevorderde wettelijke verhoging is op basis van de wet toewijsbaar, omdat de gevorderde bedragen te laat zijn betaald. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval wel aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 35%. Daarbij speelt onder meer een rol dat van betalingsonwil aan de zijde van de ex-werkgever niet is gebleken.
Wettelijke rente
De gevorderde wettelijke rente over het niet ontvangen netto salaris, de vakantietoeslag, de vergoeding voor opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen en de vergoeding voor pensioen wijst de kantonrechter toe vanaf de data van opeisbaarheid.
Buitengerechtelijke incassokosten
De werknemer heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Aangezien niet de gehele vordering van de werknemer wordt toegewezen, is het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten hoger dan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. De kantonrechter wijst het bedrag dan ook toe tot het wettelijke tarief passend bij de toegewezen hoofdsom. Het gaat om een bedrag van € 925,52.
De ex-werkgever is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4010

