De werkgever exploiteert varkensstallen. De werknemers hebben bij aanvang van de arbeidsovereenkomsten een woning betrokken op het terrein waar een paar varkensstallen van de werkgever staan. De relatie tussen werkgever en werknemers raakt verstoord door ruzie. Uiteindelijk sluiten zij een vaststellingsovereenkomst waarin de arbeidsovereenkomsten worden beëindigd en de werkgever vergoedingen moet betalen aan werknemers.
In de vaststellingsovereenkomst is ook opgenomen dat de werkgever de woning accepteert in de staat waarin deze zich nu bevindt. Ongeveer een maand na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst stelt de werkgever dat hij heeft gedwaald, omdat de woning ontzettend smerig en uitgewoond bleek te zijn (als een varkensstal). De werkgever moet veel kosten maken om onder andere de gebreken in de woning te herstellen.
Ook doet de werkgever een beroep op verrekening en gaat niet over tot betaling van de vergoedingen zoals afgesproken in de vaststellingsovereenkomst. De werkgever wordt in het ongelijk gesteld door de kantonrechter. Partijen zijn namelijk expliciet in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat de woning in de staat waarin deze zich bevindt wordt opgeleverd.
Oplevering in staat waarin woning zich bevindt
In de vaststellingsovereenkomst staat het volgende vermeld:
“Alle eigendommen van werkgever die in het kader van de arbeidsovereenkomst aan werknemer ter beschikking zijn gesteld, waaronder maar niet beperkt tot de bij de dienstwoning aan de [adres] behorende sleutels en de daarin aanwezige apparatuur, dienen uiterlijk op om 20.00 uur op 5 mei 2024 bij werkgever – althans bij een door haar aan te wijzen derde- te worden ingeleverd. Oplevering vindt plaats in de staat waarin het zich per heden bevindt, zonder dat partijen nadien terzake nog iets van elkaar te vorderen hebben.“
‘Gedwaald bij ondertekenen overeenkomst’
De werkgever stelt dat hij heeft gedwaald bij het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst, omdat werknemer 2 zou hebben medegedeeld dat slechts enkele muurtjes moesten worden geschilderd en een ruitje in een deur moest worden vervangen. De kantonrechter volgt de werkgever hierin niet.
Partijen hebben in de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk opgenomen dat de oplevering van de woning plaatsvindt in de staat waarin het zich bevindt, zonder dat partijen daarna nog iets van elkaar te vorderen hebben.
Nog schilderen en ruitje vervangen
Weliswaar heeft de gemachtigde van de werknemers meegedeeld dat werknemer 2 nog wilde schilderen en een ruitje wilde vervangen, maar op basis van die mededeling had de werkgever er niet vanuit kunnen gaan dat het huis verder in de staat verkeerde dat de woning net was gerenoveerd. Daarvoor is deze mededeling onvoldoende.
Inspectie voorgesteld
Daarnaast is van belang dat de werknemers onweersproken heeft gesteld dat hij een inspectie van de woning heeft voorgesteld, waar de werkgever niet op in is gegaan (omdat de werkgever de woning nodig had voor nieuwe werknemers, die al klaarstonden om de woning te betrekken).
Betwiste bepaling in overeenkomst
Vervolgens heeft (de gemachtigde van) de werknemers bedongen dat de betwiste bepaling in de vaststellingsovereenkomst werd opgenomen. De werkgever heeft daarmee ingestemd, terwijl hij eerder al twijfelde over de staat van de woning. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de inhoud van het e-mailbericht van 23 januari 2024 van de gemachtigde van de werkgever:
“Tot slot wordt gevreesd voor de staat van de woning. Er wordt vanuit gegaan dat uw cliënten die achterlaten in de staat waarin zij die hebben aanvaard (net gerenoveerd).”.
Ingestemd met oplevering woning
Ondanks deze twijfels heeft de werkgever in de vaststellingsovereenkomst ingestemd met oplevering van de woning waarin het zich bevindt, zonder daarin een voorbehoud te maken of bijvoorbeeld op te nemen in welke staat hij de woning op grond van mededelingen door of namens de werknemers verwacht.
Niet gedwaald
De werkgever heeft daarmee het risico voor lief genomen dat de woning niet in dezelfde staat zou verkeren als hij zegt dat die was bij aanvang van de huur. Om die reden is de kantonrechter van oordeel dat de werkgever niet heeft gedwaald. Overigens heeft de werkgever de werknemers niet in de gelegenheid gesteld de gestelde schade/gebreken te herstellen, waardoor de werknemers niet in verzuim is komen te verkeren.
De werkgever heeft verder aangevoerd dat hij heeft gedwaald bij het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst, omdat werknemer 1 eerder dan gesteld een andere woning had en hij instemde met een langere duur van verblijf in de woning vanwege de zwangerschap van werknemer 1. De kantonrechter volgt de werkgever ook hierin niet.
De werkgever stelde eerder dat werknemer 1 al enige tijd niet meer in de woning verblijft. Het verzoekschrift is op 22 maart 2024 bij de rechtbank ingediend. De vaststellingsovereenkomst is op 3 mei 2024 ondertekend. Hieruit volgt dat de werkgever bij het opmaken van de vaststellingsovereenkomst ook op dit punt niet heeft gedwaald.
Vorderingen betalen
De werkgever moet aan beide werknemers een schadevergoeding, een beëindigingsvergoeding, de nog opgebouwde vakantie-uren en het nog te betalen vakantiegeld betalen. Daarnaast moet de werkgever de loonspecificatie over de maand juni 2024 verstrekken en daarnaast ten aanzien van de eindafrekening die de schadevergoeding, beëindigingsvergoeding en openstaande vakantieaanspraken bevatten.
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4189

