De werknemer verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen. De kantonrechter wijst het verzoek af. De werknemer heeft de regels niet opgevolgd bij het kopen van producten (eten en drinken) uit de winkel voor eigen gebruik. Producten werden niet betaald of voor een lagere prijs afgerekend. De werknemer wist van de regels en heeft onvoldoende onderbouwd dat in de loop van de tijd minder strenge regels zouden gelden.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend. De werknemer heeft de werkgever een dringende reden gegeven om haar op staande voet te ontslaan.
Onverwijld ontslag
De werkgever heeft de stelling van de werknemer dat het ontslag niet onverwijld is verleend gemotiveerd betwist. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet onverwijld is verleend. De werkgever heeft op vrijdag 13 december 2024 het onderzoek gestart. Daarbij zijn camerabeelden en kassiersrapporten onderzocht. Op woensdag 18 december 2024 is het onderzoek afgerond.
Vervolgens heeft de werkgever de werknemer op donderdag 19 december 2024 in de gelegenheid gesteld om op de bevindingen te reageren. Gelet hierop is de werkgever voortvarend te werk gegaan.
Dringende reden
In de brief van 24 december 2024 waarin de werkgever het ontslag op staande voet bevestigt aan de werknemer, wordt als dringende reden aangevoerd dat de werknemer producten heeft genuttigd waarvoor ze niet heeft betaald.
De werknemer heeft in haar verzoekschrift betwist dat zij producten heeft geconsumeerd zonder daarvoor te betalen. Zij stelt dat zij enkele producten op een latere datum heeft afgerekend. Dit gebeurde volgens de werknemer wel vaker.
Op de mondelinge behandeling heeft de werknemer verder aangevoerd dat zij enkele broodjes die zij heeft genuttigd, heeft afgerekend als een brioche. Dit was volgens de werknemer gebruikelijk omdat het voor ontbijt was.
Uit de stukken blijkt dat de werknemer op 18 november 2024 een tosti, op [datum] 2024 om 07.53 uur een broodje filet met ei en om 11.09 uur een broodje kroket, op 25 november 2024 een broodje filet met ei, en op 5 december 2024 een brioche ei/kaas heeft genuttigd zonder daarvoor te betalen.
Over de tosti, genuttigd op 18 november, heeft de werknemer verklaard dat zij dit heeft gedaan om te testen of de tosti vanwege een andere bereidingswijze goed was. De werknemer heeft het broodje filet met ei op 9 november afgerekend als brioche.
Geen gebruikelijke gang van zaken
De werknemer stelt dat dit de gebruikelijke gang van zaken was. De werkgever heeft dit betwist. De kantonrechter volgt de werknemer niet in haar stelling omdat zij niet nader heeft onderbouwd waaruit blijkt dat – in afwijking van de strenge regels bij de werkgever – dit een gebruikelijke gang van zaken was.
Broodjes niet afgerekend
De werknemer heeft verder gesteld dat zij de overige broodjes op een andere datum heeft afgerekend. Dit blijkt echter niet uit de door haar overgelegde betalingsafschriften.
De werknemer heeft op de mondelinge behandeling nader aangevoerd dat zij in de veronderstelling was dat zij alles had afgerekend.
Strenge regels
De kantonrechter overweegt dat als de werknemer onbewust producten niet heeft afgerekend, dit voor haar risico komt. Ondanks de strenge regels die bij de werkgever gelden – waarbij onder andere producten voor eigen gebruik direct bij een collega moeten worden afgerekend – heeft de werknemer dit niet opgevolgd.
De werknemer heeft daarover aangevoerd dat het later afrekenen van producten de gebruikelijke gang van zaken was, maar zij heeft dit niet nader onderbouwd. De werknemer was op de hoogte van de regels en is in februari 2024 door haar voormalige manager via een bericht in de WhatsAppgroep nogmaals gewezen op de wijze waarop producten voor eigen gebruik moeten worden afgerekend.
Daarnaast blijkt hieruit dat de strenge regels van de werkgever niet voor niets gelden. Ook daarmee wordt voorkomen dat werknemers ‘vergeten’ voor hun producten te betalen.
Ontslag blijft in stand
De conclusie is dat het verzoek van de werknemer tot vernietiging van het ontslag op staande voet niet toewijsbaar is. Dit maakt dat ook de overige verzoeken waaronder wedertewerkstelling en betaling van loon niet toewijsbaar zijn.
De proceskosten komen voor rekening van de werknemer, omdat de werknemer ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3938

