De dga maakt niet aannemelijk dat hij geen of minder inkomsten heeft genoten van zijn bv, oordeelt de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Een dga is in de periode 24 januari 2018 tot en met 29 november 2019 100% aandeelhouder en bestuurder van twee bv’s die op zijn woonadres zijn gevestigd. Uit de ingediende loonaangifte van één van de bv’s blijkt dat de dga in 2018 in totaal € 13.031 aan loon heeft genoten van een van de bv‘s en dat er op dat loon € 1.296 aan loonheffingen is ingehouden. In de door de dga ingediende aangifte IB/PVV over 2018 wordt ook een uitkering aangegeven van het UWV.
In de controlerapporten van een ingesteld boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2019 staat dat de werkzaamheden van de dga bestonden uit het maken van facturen en het verrichten van betalingen voor beide bv‘s en dat de bevindingen met de dga en zijn adviseur zijn besproken. De inspecteur stelt de aanslag overeenkomstig de ingediende aangifte vast.
Verzamelinkomen eerder te laag dan te hoog
De dga maakt bezwaar tegen de aan hem opgelegde aanslag, maar de inspecteur wijst dat bezwaar af. De inspecteur stelt dat het verzamelinkomen te laag is vastgesteld en dat de gebruikelijkloonregeling van toepassing is.
De inspecteur stelt primair dat het verzamelinkomen eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, omdat de dga administratieve werkzaamheden voor zijn bv‘s heeft verricht. Het loon had naar zijn mening ten minste op € 45.000 moeten worden gesteld. Bovendien stelt de inspecteur dat de dga niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2018 geen of minder inkomsten van zijn bv heeft genoten dan is vastgesteld.
De dga stelt geen activiteiten te hebben verricht voor de ene bv en geen inkomsten daaruit te hebben genoten. In 2018 zijn weliswaar voor € 4.000 aan geldopnamen gedaan, maar deze dienden om diverse kosten en uitgaven voor de onderneming te betalen. De boekhouder die de geldopnamen als loon in de administratie heeft verwerkt, is overleden en kan niet meer om uitleg worden gevraagd.
Aanmerkelijk belang
De rechtbank stelt voorop dat de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet LB 1964 van toepassing is ten aanzien van de werknemer die arbeid heeft verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft.
Volgens de rechtbank had de dga in 2018 een aanmerkelijk belang in beide bv‘s. Het is bovendien aannemelijk dat de dga in 2018 administratieve werkzaamheden voor de bv‘s heeft verricht. Uit de controlerapporten van de boekenonderzoeken blijkt dat ook.
De dga stelde pas tijdens de zitting dat hij geen activiteiten voor de bv heeft verricht en dat hij niet op de controlerapporten heeft gereageerd, omdat hij pas met het verweerschrift daarvan heeft kennisgenomen. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk, omdat uit de controlerapporten volgt dat de bevindingen met de dga en zijn adviseur zijn besproken.
Gebruikelijkloonregeling van toepassing
De rechtbank oordeelt dan ook dat de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet LB 1964 van toepassing is. De dga heeft een lager gebruikelijk loon niet gesteld laat staan aannemelijk gemaakt. De aanslag is daarom niet te hoog vastgesteld. Het standpunt van de inspecteur dat de dga niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2018 geen of minder inkomsten van zijn bv heeft genoten dan is vastgesteld hoeft naar het oordeel van de rechtbank niet in behandeling te worden genomen.
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3070

