De werkneemster heeft tijdens de sollicitatieprocedure en ook daarna bewust essentiële informatie achtergehouden voor de werkgever en bewust een verkeerde voorstelling van zaken te geven. Dit handelen acht de kantonrechter zo verwijtbaar dat dit een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert.
De kantonrechter stelt voorop dat niet de vraag aan de orde is of de werkneemster met haar achtergrond qua opleiding en werkervaring voor de functie van Assistent Zorgkundige bij de werkgever in aanmerking kwam op basis van de vacaturetekst voor de functie van Assistent Zorgkundige. De werkneemster heeft er op zich gelijk in dat in die vacaturetekst niet (expliciet) te lezen is dat het beschikken over een MBO-diploma een vereiste is.
Herhaaldelijk verzoek om MBO-diploma
Duidelijk is dat de werkgever (een zorginstelling) er op enig moment achter kwam dat zij in haar systeem geen MBO-diploma van de werkneemster had, waarop zij aan de werkneemster herhaaldelijk heeft verzocht haar MBO-diploma te verstrekken. De kantonrechter is het niet eens met de werkneemster dat zij onder ‘zorgdiploma’ haar VMBO-diploma kon verstaan.
Uit het eerste WhatsAppberichtje van 24 april 2023 aan de werkneemster blijkt dat de werkgever al over het VMBO-diploma van de werkneemster beschikte. De werkneemster heeft op geen enkele manier aangetoond dat zij ooit heeft gereageerd met de mededeling dat zij alleen een VMBO-diploma heeft en geen MBO-diploma en dat de werkgever daarvan op de hoogte was, zelfs niet in de brief van haar gemachtigde van 19 mei 2023. Zo’n reactie zou wel het meest voor de hand liggend zijn geweest, gelet op het standpunt dat zij tijdens haar sollicitatiegesprek eerlijk zou hebben verteld dat zij geen MBO-diploma heeft behaald.
Gelet op haar reacties op de verzoeken haar MBO-diploma te verstrekken, acht de kantonrechter geen andere conclusie gerechtvaardigd dan dat zij de werkgever bewust in de veronderstelling wilde laten dat zij over een MBO-diploma beschikt.
Geen totale openheid van zaken
In het verlengde hiervan moet geconcludeerd worden dat de werkneemster in het sollicitatiegesprek geen totale openheid van zaken heeft gegeven en in ieder geval niet expliciet heeft aangegeven dat zij geen MBO-opleiding heeft afgerond. Voor deze laatste conclusie wordt mede in aanmerking genomen de door de werkgever overgelegde uitgebreide verklaring van een medewerker waarin de medewerker onder meer heeft verklaard dat de werkneemster haar tijdens het sollicitatiegesprek niet heeft medegedeeld dat zij geen diploma voor verpleegkundige behaald had, én dat de werkneemster op haar beurt niet concreet op de inhoud van deze verklaring is ingegaan.
Door te verzwijgen dat zij niet over een MBO-diploma beschikte heeft de werkneemster de werkgever als het ware de kans ontnomen om na te gaan in hoeverre zij bevoegd en/of bekwaam was om bepaalde handelingen te verrichten die horen bij de functie van Assistent Zorgkundige binnen haar organisatie. Voorstelbaar is dat het verrichten van bepaalde handelingen in het kader van deze functie, bijvoorbeeld handelingen die op mensenlichamen moeten worden verricht, behoorlijk risicovol is én niet mag worden uitgevoerd door iemand, die daartoe niet bevoegd is.
Vermeldingen op cv niet (helemaal) juist
Daar komt bij dat vermeldingen door de werkneemster op haar cv over haar werkervaring bij zorginstellingen niet (helemaal) juist blijken te zijn. De werkneemster heeft bij een instelling als ‘vakantiekracht huishouding’ gewerkt, terwijl zij deze functienaam niet in haar cv heeft vermeld. Op het cv staan wel allemaal zorgtaken genoemd die de werkneemster bij die stichting zou hebben verricht.
Bewust gekozen voor niet onderbouwen stelling
Op de stelling dat die stichting tegen de werkgever heeft gezegd dat de werkneemster die handelingen niet heeft verricht, is zij bij haar blote stelling gebleven dat zij die handelingen wel heeft verricht. Wat de werkneemster hierover op de zitting heeft aangegeven komt erop neer dat zij (in het kader van deze procedure) geen contact meer heeft opgenomen met de stichting ter bevestiging van haar vermelding op haar cv of ter ontkrachting van het verhaal van de werkgever. Zij heeft hiermee bewust ervoor gekozen haar stelling hierover niet te onderbouwen. Daarmee kan er in rechte niet van worden uitgegaan dat het waar is dat zij de betreffende werkervaring heeft opgedaan bij de instelling.
Onvoldoende concreet gereageerd
Volgens een door de werkneemster zelf overgelegde arbeidsovereenkomst heeft zij bij de instelling gewerkt als thuishulp in plaats van als ‘thuiszorg verpleegkundige’. Op de stelling van de werkgever dat het onbestaanbaar is dat de werkneemster als thuishulp allerlei zorghandelingen, zoals vermeld op haar cv, zou hebben verricht, heeft de werkneemster niet, althans onvoldoende concreet, gereageerd.
Dringende reden
De conclusie is dat de werkneemster tijdens de sollicitatieprocedure en ook daarna bewust essentiële informatie heeft achtergehouden voor de werkgever en bewust een verkeerde voorstelling van zaken te geven. Dit handelen acht de kantonrechter in deze zaak, mede gelet op de aard van de functie van Assistent Zorgkundige zo verwijtbaar, dat dit een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert.
Ontslag onverwijld gegeven
In het verzoekschrift komt de vraag aan de orde of het ontslag op staande voet voldoet aan het onverwijldheidsvereiste. De kantonrechter begrijpt daaruit dat de werkneemster zich op het standpunt stelt dat dit niet het geval is, omdat de werkgever te lang heeft gewacht met het geven van het ontslag op staande voet, omdat zij er allang van op de hoogte was of kon zijn dat de werkneemster geen MBO-diploma heeft.
De werkgever heeft op 19 mei 2023 als laatst via de gemachtigde van de werkneemster verzocht haar MBO-diploma alsnog aan te leveren. Tot die tijd is er geen moment geweest, waarvan gezegd kan worden dat de werkgever de conclusie had moeten trekken dat de werkneemster niet over het MBO-diploma beschikte, en hierover niet eerlijk was tegen de werkgever.
De werkneemster kreeg de kans om uiterlijk maandag 21 mei 2023 stukken, waaronder het diploma aan te leveren. Pas de dag daarna, op 22 mei 2023, heeft de werkgever redelijkerwijs kunnen concluderen dat de werkneemster niet over het betreffende diploma beschikte. Door vervolgens op 23 mei 2023 het ontslag op staande voet te geven, heeft de werkgever niet te lang gewacht. Het ontslag op staande voet heeft dus onverwijld plaatsgevonden.
Ontslagreden onverwijld medegedeeld
Tussen partijen is niet in geschil dat de reden voor het ontslag op staande voet onverwijld aan de werkneemster is medegedeeld. Aan de eis van ‘onverwijlde mededeling van de dringende reden’ is dus ook voldaan.
Ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven
De kantonrechter komt op basis van de hiervoor vermelde overwegingen tot de conclusie dat het op 23 mei 2023 aan de werkneemster gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Hiermee is het opzegverbod tijdens ziekte niet aan de orde. Wanneer er sprake is van een ontslag op staande voet dat rechtsgeldig wordt gegeven, geldt het opzegverbod tijdens ziekte namelijk niet. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt dan ook afgewezen.
Loonvordering niet toewijsbaar
Doordat de arbeidsovereenkomst tussen partijen door het ontslag op staande voet is geëindigd op 23 mei 2023, is de loonvordering niet toewijsbaar.
Geen transitievergoeding
Voor zover geldt dat de werkneemster de transitievergoeding, de vergoeding van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente ook heeft willen verzoeken/vorderen als nevenverzoek en nevenvorderingen bij het verzoek tot vernietiging van het ontslag, geldt het volgende.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten is in het lichaam van het verzoekschrift niet genoemd en dus ook niet onderbouwd. Deze nevenvordering wordt om die reden al afgewezen.
De transitievergoeding acht de kantonrechter niet toewijsbaar, omdat het handelen van de werkneemster dat tot het ontslag op staande voet heeft geleid naar het oordeel van de kantonrechter als ernstig verwijtbaar gekwalificeerd moet worden. de werkneemster is door haar handelen het vertrouwen van de werkgever als werkgeefster volstrekt onwaardig geworden. De vordering tot betaling van de wettelijke rente deelt in het lot van afwijzing.
De werkneemster krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen.
Uitspraak Rechtbank Rotterdam, 23 november 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10828

