Niet gebleken is dat de werknemer in deze periode geen re-integratieactiviteiten kon doen. Hij was ook niet vrijgesteld van re-integratieverplichtingen.
Waar gaat deze zaak over?
De werknemer is tot 1 november 2024 in dienst geweest bij de werkgever. De werknemer stelt dat de werkgever ten onrechte voor € 6.376,32 bruto aan vakantie-uren heeft ingehouden. De werknemer vordert de werkgever ertoe te veroordelen dit bedrag aan hem te betalen.
De werknemer is in juli en augustus 2024 tijdens zijn arbeidsongeschiktheid weliswaar naar Spanje geweest, maar dit kan volgens hem niet als vakantie worden gezien.
De werkgever betwist de vordering, op een bij vergissing ingehouden bedrag van in totaal € 944,64 bruto na. De werknemer is zonder overleg met de werkgever of bedrijfsarts naar Spanje gegaan. Dit moet als vakantie gezien worden.
De werkgever erkent dat hij nog € 944,64 bruto aan vakantie-uren aan de werknemer moet betalen. De werkgever wordt ertoe veroordeeld dit te doen, met een wettelijke verhoging van 25%. Voor het toekennen van een hogere wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding.
Vergissing
De werkgever heeft steeds het loon van de werknemer op tijd betaald. Dat dit bedrag aan vakantie-uren bij de eindafrekening niet aan de werknemer is betaald, lijkt niet meer te zijn geweest dan een vergissing. Rente over het genoemde bedrag is toewijsbaar vanaf 1 november 2024, de dag dat de werknemer uit dienst ging.
Op vakantie zonder toestemming
Voor het toekennen van een hoger bedrag aan vakantie-uren is geen aanleiding. De werknemer was vanaf enig moment in 2024 arbeidsongeschikt. Tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid moet de werknemer meewerken aan re-integratie (artikel 7:660a Burgerlijk Wetboek). Dit houdt onder meer in dat als de werknemer naar Spanje wil tijdens arbeidsongeschiktheid, hij daarvoor toestemming moet vragen aan de werkgever. Dat geldt ook als de werknemer, zoals in deze zaak, voor zijn vakantie naar Spanje in februari 2024 al toestemming had gevraagd en gekregen, toen hij nog niet arbeidsongeschikt was.
De werkgever kan dan, als hij daar aanleiding toe ziet, de bedrijfsarts om advies vragen over de reis van de werknemer naar Spanje, mede gelet op zijn (eventuele) re-integratieverplichtingen en zijn gezondheidssituatie.
De werknemer is in dit geval naar Spanje gegaan zonder toestemming van bedrijfsarts en de werkgever. Hij stelt wel dat hij dit heeft afgesproken met de werkgever, maar dat dit zo is blijkt verder nergens uit en is door de werkgever gemotiveerd weersproken.
Uit de WhatsApp-berichten van de kant van de werkgever volgt juist dat deze verbaasd was toen de werknemer schreef dat hij niet op de afspraak bij de bedrijfsarts kon komen omdat hij in Spanje was. De werkgever had van de werknemer begrepen dat hij eerst aan zijn neuroloog zou vragen of hij naar Spanje kon gaan. De uitkomst daarvan heeft hij niet meer teruggekoppeld aan de werkgever.
Niet vrijgesteld van re-integratieverplichtingen
De werkgever heeft dus niet de mogelijkheid gehad om voorafgaand aan de Spanje-reis van de werknemer de bedrijfsarts om advies te vragen. Niet gebleken is dat de werknemer in de betreffende periode niet tot enige re-integratie-activiteiten in staat was. Hij was ook niet vrijgesteld van re-integratieverplichtingen. De werkgever mocht het verblijf in Spanje van de werknemer daarom als vakantie afboeken. De vordering tot uitbetaling van de ingehouden vakantiedagen wijst de kantonrechter daarom af.
Niet het hele bedrag dat de werknemer vordert is toewijsbaar, maar slechts een deel.
De kantonrechter veroordeelt de werkgever om € 944,64 bruto aan de werknemer te betalen, vermeerderd met 25% wettelijke verhoging.
Uitspraak Rechtbank Rotterdam, 21 augustus 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10249

