Het besluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) in verband met het uitzonderen van organisaties met minder dan 250 werknemers is in behandeling bij de Tweede Kamer.
In het Bal staat de verplichting voor ondernemingen en rechtspersonen om jaarlijks te rapporteren over de zakelijke en woon-werkmobiliteit van de werknemers (artikel 18.15 Bal). Ondernemingen en rechtspersonen rapporteren het aantal gereisde kilometers, de gebruikte reismodaliteiten en het type brandstof.
Het wijzigingsbesluit regelt een uitzondering van de rapportageverplichting woon-werk en zakelijk verkeer voor organisaties met minder dan 250 werknemers. Hiermee wordt invulling gegeven aan het kabinetsbesluit van augustus 2025 om het midden- en kleinbedrijf (mkb) van die verplichting uit te zonderen. Dit besluit is met het Coalitieakkoord ‘Aan de slag’ door het nieuwe kabinet bevestigd.
Inwerkingtreding
Beoogde inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit is eind 2026 waarbij wordt geregeld dat het terugwerkt tot en met 1 januari 2026. Dat betekent dat organisaties met minder dan 250 werknemers over 2026 niet meer hoeven te rapporteren.
CO2-reductie
Bij de augustusbesluitvorming in 2025 heeft het kabinet ervoor gekozen de negatieve effecten op de CO2-uitstoot door de accijnskorting en aanpassing van het Besluit Werkgebonden Personenmobiliteit (WPM) structureel te compenseren door verhoging van de brandstoftransitieverplichting. In totaal gaat het om een CO2-reductie van 0,4 megaton CO2 in 2030.
Omdat de accijnskorting en de pseudo-eindheffing al zijn vastgesteld, is bij de recente wijziging van het Besluit energie vervoer de brandstoftransitieverplichting verhoogd met 0,3 megaton in 2030. Na inwerkingtreding van het ontwerpbesluit wordt de resterende 0,1 megaton in het Besluit energie verwerkt.
Niet meer bij < 250 werknemers
Vanwege onevenredige administratieve lasten is besloten om het besluit WPM aan te passen. Dit ondanks het gegeven dat het besluit WPM relatief kort daarvoor van kracht is geworden. Deze wijziging had de voorkeur boven het in stand houden van een onevenredig zware lastendruk voor de midden- en kleinbedrijven.
Het uitzonderen van werkgevers met minder dan 250 werknemers betekent niet dat het zicht op de CO2-uitstoot door werkgebonden personenmobiliteit bij het midden- en kleinbedrijf geheel verdwijnt.
Zo kunnen midden- en kleinbedrijven op vrijwillige basis gebruik maken van de faciliteiten die RVO biedt om inzicht te krijgen in de CO2-uitstoot door werkgebonden personenmobiliteit. RVO biedt ook een digitaal hulpmiddel aan voor het uitzetten van enquêtes onder werknemers en het verwerken van de resultaten naar data. De data kunnen worden ingevoerd op het elektronisch formulier dat organisaties gebruiken voor het rapporteren van gegevens over zakelijk en woon-werkverkeer.
Het besluit WPM heeft twee doelen: het verkrijgen van inzicht in emissies en het stimuleren van werkgevers om bewuste duurzame mobiliteitskeuzes te maken: minder rijden door te kiezen voor thuiswerken, anders te reizen door te kiezen voor OV of fiets of omschakelen naar elektrische auto’s.
Het midden- en kleinbedrijf is verantwoordelijk voor 18% van het aantal afgelegde kilometers voor woon-werkverkeer bij organisaties met 100 of meer werknemers. Dat is ongeveer een vijfde van het totaal. Een deel van die bedrijven voert ook zonder wettelijke rapportageverplichting actief beleid op het gebied van verduurzaming van werkgebonden personenmobiliteit.
Het vervallen van die verplichting zal niet direct betekenen dat werknemers massaal het OV en de fiets zullen verruilen voor de auto. Het uitzonderen van werkgevers met minder dan 250 werknemers zal dan ook beperkte gevolgen hebben voor het aantal afgelegde kilometers, de filedruk en de elektrificatie van mobiliteit.
Pseudo-eindheffing
Daar komt bij dat met ingang van volgend jaar de pseudo-eindheffing wordt ingevoerd voor fossiele leaseauto’s. Dat zal naar verwachting een positieve invloed hebben op de transitie naar emissieloos vervoer.
Drie loketten
Hoe zit het met de drie verschillende loketten waar ondernemingen op dit moment bij moeten rapporteren over werkgebonden personenmobiliteit?
In de ontwerpnota van toelichting staat dat deze loketten zijn ingesteld op grond van respectievelijk het besluit Werkgebonden Persoonsmobiliteit (WPM), de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) en de Energy Efficiency Directive (EED).
Alleen grote ondernemingen met meer dan 1000 werknemers die daarnaast ook minimaal 50 miljoen euro omzet of 25 miljoen euro balanstotaal hebben, moeten op grond van de CSRD een duurzaamheidsverslag opstellen. Ongeveer 400 bedrijven moeten vanaf 2028 een duurzaamheidsverslag opstellen volgens de CSRD. In 2028 moet over boekjaar 2027 worden gerapporteerd.
Van de 400 bedrijven zullen ongeveer 350 bedrijven in het kader van de CSRD moeten rapporteren over de uitstoot door werkgebonden personenmobiliteit. Dat komt omdat CO2-uitstoot door werkgebonden personenmobiliteit niet voor alle grote bedrijven van belang is en dan is het volgens de CSRD niet verplicht om daarover te rapporteren.
Het instellen van één loket waar ondernemingen kunnen rapporteren in het kader van zowel de CSRD als het besluit WPM levert dan ook een beperkte vermindering van de regeldruk op. Daar komt nog bij dat de grote bedrijven beschikken over administratiesystemen waaruit relatief eenvoudig de voor de rapportage WPM benodigde gegevens zijn te halen.
Voor de EED geldt dat bedrijven alleen hoeven te rapporteren over zakelijke mobiliteit met leaseauto’s en auto’s uit het eigen wagenpark. Daarmee is sprake van een beperkte overlap met de gegevens die op grond van het besluit WPM moeten worden gerapporteerd.
De grootste voordelen zijn te bereiken door het midden- en kleinbedrijf uit te zonderen. De focus van het ontwerpbesluit is dan ook gelegd bij die groep.

