Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van de man voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) wegens betalingsonmacht van zijn (ex-)werkgever. De man is het niet eens met de afwijzing en stelt dat er gedurende de periode van 1 april 2023 tot en met 1 maart 2024 sprake is geweest van een dienstverband.
Verder stelt de man dat reeds in augustus 2023 al sprake was van een betalingsonmacht. Ook is volgens de man sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank volgt de man hierin niet. Hij krijgt dus ongelijk.
Waar gaat deze zaak over?
De man was sinds 1 april 2023 werkzaam voor de (ex-)werkgever. Per 1 maart 2024, is het dienstverband van de man opgezegd. Op 3 december 2024 is het faillissement van de (ex-)werkgever uitgesproken.
De man heeft op 11 april 2024 UWV verzocht om met toepassing van hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van zijn (ex-)werkgever wegens betalingsonmacht over te nemen (faillissementsuitkering).
Privaatrechtelijke dienstbetrekking?
Naar aanleiding van deze aanvraag en de hierna volgende interne fraudemelding is UWV een onderzoek gestart. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in het onderzoeksrapport van 11 december 2024. Hierin is geconcludeerd dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een privaatrechtelijke rechtsbetrekking.
Niet is immers komen vast te staan hoe lang en gedurende welke periode de man een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gehad. de man heeft ook geen objectieve en controleerbare gegevens aangeleverd die de aard van zijn werkzaamheden gedurende het gehele dienstverband bevestigen.
Essentiële onderdelen ontbreken
Bij het bestreden besluit I heeft UWV de primaire besluiten in stand gelaten. In de door de man aangeleverde arbeidsovereenkomst ontbreken essentiële onderdelen waaronder het salaris en de functie en werkzaamheden. Daarnaast komt de op de arbeidsovereenkomst vermelde arbeidsduur niet overeen met de gegevens uit de loonadministratie.
De drie ontvangen loonbetalingen in de maanden mei en juni 2023 bevestigen dan wel het bestaan van een arbeidsrelatie, maar bieden geen bewijs voor een doorlopend dienstverband voor de volledig vermeende arbeidsovereenkomst.
Hoewel het aannemelijk is dat de man in april 2023 voor de (ex-)werkgever heeft gewerkt, is de omvang van de arbeid in de geclaimde periode niet vast te stellen noch te verifiëren. Gelet hierop is het dan ook niet aannemelijk geworden dat tussen de man en zijn (ex-)werkgever een arbeidsovereenkomst bestond.
Dienstverband van 1 april tot half september 2023
In het bestreden besluit II heeft UWV de aan de afwijzing ten grondslag gelegde motivering gewijzigd. UWV gaat er hierbij vanuit dat er in de periode van 1 april 2023 tot en met de tweede week van september 2023 sprake is geweest van een dienstverband. Nadien valt echter volgens UWV niet meer vast te stellen of sprake is geweest van een dergelijk dienstverband.
Geen recht op WW-uitkering
Nu het dienstverband van de man al was geëindigd voordat de (ex-)werkgever kwam te verkeren in een blijvende toestand van betalingsonmacht, bestaat geen recht op een WW-uitkering.
UWV stelt zich op het standpunt dat de WW-aanvraag van de man terecht is afgewezen. UWV acht het aannemelijk dat de man in de periode van 1 april 2023 tot en met de tweede week van september 2023 werkzaamheden heeft verricht voor zijn (ex-)werkgever en over die periode sprake is geweest van een dienstverband.
Met ingang van de tweede week van september 2023 kan de voortduring van het dienstverband volgens UWV echter niet meer worden vastgesteld, omdat onder meer vanaf dat moment nauwelijks tot geen betalingen van treinkaartjes ter hoogte van een enkeltje Alkmaar (Noord)-Hoorn zichtbaar zijn op de bankafschriften. De man heeft verder niet met concrete en verifieerbare stukken het tegendeel bewezen.
Geen blijvende betalingsonmacht werkgever
Daarnaast is volgens UWV is in de periode tot en met april 2024 geen sprake van blijvende betalingsonmacht bij de (ex)-werkgever. Uit de zakelijke bankafschriften volgt immers dat tot en met april 2024 regelmatig zakelijke betalingen werden verricht. Gelet hierop bestaat dan ook geen recht op een WW-uitkering, omdat het dienstverband van de man al was geëindigd voordat zijn (ex-)werkgever in een toestand van blijvende betalingsonmacht kwam te verkeren. Daarbij geldt dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie zoals bedoeld in artikel 62, eerste lid, onder a en b van de WW.
Alleen eerste drie maanden loonbetalingen
Heeft de man aannemelijk gemaakt dat hij ook na de tweede week van september 2023 nog persoonlijke arbeid voor zijn (ex-)werkgever heeft verricht. Met UWV is de rechtbank van oordeel dat de man dat niet aannemelijk heeft gemaakt.
Daarbij acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat uit het dossier blijkt dat de man sinds het begin van zijn dienstverband alleen over de eerste drie maanden loonbetalingen van zijn (ex-)werkgever heeft ontvangen, te weten op 4 mei 2023 (€ 1.500,62), op 7 juni 2023 (€ 500) en op 8 juni 2023 (€ 300).
Als de man inderdaad tot en met 1 maart 2024 voor zijn (ex-)werkgever heeft gewerkt, zoals hij stelt, zou dat betekenen dat de man lange tijd voor zijn (ex-)werkgever heeft gewerkt zonder dat hij daarvoor werd uitbetaald. Dat is mogelijk, maar niet erg waarschijnlijk.
Geen andere verifieerbare stukken
Verder acht de rechtbank, evenals UWV, van belang dat op de door de man overgelegde afschriften van zijn bankrekeningen alleen dagelijkse betalingen van treinkaartjes, die overeenkomen met de door de man aangegeven werkplaats en werktijden, tot en met de tweede week van september 2023 zijn te zien en de man geen andere verifieerbare stukken of getuigenverklaringen heeft overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat hij ook daarna werkzaamheden heeft verricht.
De verklaring van de man dat hij vanaf de tweede week van september 2023 van zijn (ex-)werkgever contant geld ontving waarmee hij treinkaartjes in de NS-automaat kocht in plaats van die kaartjes met zijn bankpas te betalen maakt dat niet anders.
Niet aannemelijk gemaakt
Nu de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook na de tweede week van september 2023 nog persoonlijke arbeid heeft verricht voor zijn (ex-)werkgever, is ook niet aannemelijk geworden dat hij vanaf die week tot en met 1 maart 2024 als werknemer in dienst van zijn (ex-)werkgever heeft gewerkt.
Omdat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook na de tweede week van september 2023 nog als werknemer in dienst was van zijn (ex-)werkgever moet, gelet op het bepaalde in artikel 62, eerste lid, van de WW, eerst worden vastgesteld wanneer de (ex-)werkgever kwam te verkeren in een blijvende toestand van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 61 van de WW.
Failliet verklaard
Op 3 december 2024 is de (ex-)werkgever van de man failliet verklaard. Uit de bankafschriften van de (ex-)werkgever volgt onder meer dat door hem tot en met februari 2024 nog loon en/of fooi is betaald aan werknemers en dat er door hem tot en met april 2024 zakelijke rekeningen zijn betaald. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat de (ex-)werkgever in elk geval tot en met februari 2024 nog niet verkeerde in een blijvende toestand van betalingsonmacht.
Uitzonderingssituatie?
Omdat de dienstbetrekking van de man bij zijn (ex-)werkgever is geëindigd voordat deze kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61 van de WW, heeft een werknemer geen recht op een faillissementsuitkering tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in de a of b bepaling van artikel 62, eerste lid, van de WW.
Geen onmiskenbare samenhang
Voor wat betreft de eerste uitzonderingssituatie is het de rechtbank is niet gebleken dat er een onmiskenbare samenhang bestaat tussen de omstandigheden die hebben geleid tot het eindigen van de dienstbetrekking en de betalingsonmacht van de (ex-)werkgever.
Hierbij acht zij van belang dat uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat het enkele feit dat de financiële situatie van de (ex-)werkgever mogelijk al slecht was, onvoldoende is voor het aannemen van een duidelijke samenhang.
Daarbij komt verder dat in dit geval vaststaat dat de (ex-)werkgever na het einde van de dienstbetrekking is doorgegaan met het betalen van (andere) werknemers en leveranciers.
Geen volledige loonbetalingen meer ontvangen
Voor wat betreft de tweede uitzonderingssituatie geldt dat vaststaat dat de man na 4 mei 2023 geen volledige loonbetalingen meer heeft ontvangen van zijn (ex-)werkgever. Uit de in het dossier aanwezige stukken volgt verder dat de man pas op 7 april 2024 en 23 augustus 2024 zijn (ex-)werkgever heeft verzocht om het achterstallige salaris te betalen.
Gelet op de lange tussenliggende periode oordeelt de rechtbank dat door de man onvoldoende voortvarend en gericht actie is ondernomen om zijn vorderingen betaald te krijgen. Dit is voor zijn rekening en risico.
Dat de man desgevraagd ter zitting heeft toegelicht dat hij zijn (ex-)werkgever eerder heeft verzocht om het salaris uit te betalen maakt dit niet anders. Hij heeft deze stelling immers niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd.
Aanvraag terecht afgewezen
In dit geval is dan ook geen sprake van één van de uitzonderingsgronden van artikel 62, eerste lid, van de WW. UWV heeft de aanvraag van de man op grond van dat artikel dan ook terecht afgewezen.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 19 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2472

