Als het wetsvoorstel Regels over een basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen) wet wordt, komt er een verplichte verzekering tegen het risico op inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen. Dit is volgens de memorie van toelichting op het wetsvoorstel wenselijk, omdat zo wordt gewaarborgd dat zelfstandigen ook een adequaat inkomen hebben als zij te maken krijgen met arbeidsongeschiktheid.
Gelijker speelveld
Daarnaast worden werkenden zo gelijker behandeld: waar voor werknemers de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geldt, geldt voor zelfstandigen deze verzekeringsplicht. Dat zorgt voor een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen. Hierdoor wordt de aard van het werk meer leidend voor de vorm waarin dit werk wordt gedaan. Het gelijker speelveld wordt met deze verplichtstelling ook tussen zelfstandigen onderling gerealiseerd.
Doelen wetsvoorstel
Het wetsvoorstel heeft de volgende doelen:
- Zelfstandigen een adequate inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid bieden.
- Zelfstandigen dekken zelf hun arbeidsongeschiktheidsrisico’s in, waardoor concurrentie op arbeidsvoorwaarden en het gebruik van algemene voorzieningen wordt beperkt en kostenverschillen tussen zelfstandigen onderling en tussen werknemers en zelfstandigen worden verkleind (gelijk speelveld).
Publieke verzekering voor zelfstandigen
De regering wil een publieke verzekering voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico instellen. Deze verzekering biedt een financieel vangnet voor zelfstandigen die arbeidsongeschikt raken, is toegankelijk voor zelfstandigen en betaalbaar. Zelfstandigen worden verplicht verzekerd. Dat kan via de publieke verzekering, of door uit te stappen en een private verzekering af te sluiten.
De regering kiest ervoor om een verzekeringsplicht te introduceren en daarbij het bestaande stelsel voor ziekte en arbeidsongeschiktheid voor werknemers ongemoeid te laten.
Een specifiek stelsel voor zelfstandigen biedt de mogelijkheid om polisvoorwaarden en voorwaarden vast te stellen die afwijken van die voor werknemers.
Duaal stelsel: publieke verzekering én private verzekeringen
Een ander belangrijk element in dit wetsvoorstel is dat wordt gekozen voor een verplichte publieke verzekering, met de mogelijkheid tot een opt-out. Daarmee ontstaat een duaal stelsel. Zelfstandigen hebben de keuze of zij gebruik maken van de publieke verzekering, of dat zij kiezen voor een private verzekering. Voor de private verzekering geldt daarbij geen acceptatieplicht, voor de publieke verzekering wel.
Het duale stelsel zorgt ervoor dat geborgd is dat alle zelfstandigen verzekerd zijn tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico, maar biedt meer keuzemogelijkheden aan zelfstandigen. Er is echter niet gekozen voor maximale keuzevrijheid.
Verdere vormgeving
De kring van verzekerden omvat de zelfstandig ondernemer (de IB-ondernemer), zowel zonder als met personeel. Daarmee geldt dit voorstel voor de meeste zelfstandigen.
De belangrijkste kenmerken van het recht op en de hoogte van de publieke uitkering:
Recht op uitkering krijgt de publiek verzekerde die:
- door ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid een inkomen te verkrijgen ter hoogte van het wettelijk minimumloon op maandbasis;
- de wachttijd van 104 weken heeft doorlopen.
De uitkeringsgrondslag is maximaal 142,86% van het wettelijk minimumloon. Hiermee bedraagt een uitkering maximaal 100% van het wettelijk minimumloon. De regering kiest ervoor om voor deze regeling de uitkering geen vakantiebijslag-component te geven.
UWV is naast claimbeoordelaar en uitkeringsverstrekker ook aanbieder van re-integratiedienstverlening voor publiek verzekerden.
De Belastingdienst heft en int premie bij de publiek verzekerden.
Door de Belastingdienst zal een aparte aanslag worden vastgesteld voor de premie voor deze wet. Uit het aangifteproces zullen zelfstandig ondernemers drie aanslagen ontvangen: een aanslag inkomensheffing, een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en een aanslag voor dit voorstel.
Belastbare winst uit ondernemig
De maatstaf voor premieheffing is de belastbare winst uit onderneming, zoals opgenomen in de Wet IB 2001.
De maximale premiegrondslag is – gelijk aan de maximale uitkeringsgrondslag – 142,86% van het wettelijk minimumloon zoals bedoeld in de Wet op het minimumloon en minimumvakantiebijslag én zonder de in die wet genoemde minimumvakantiebijslag.
Als het bedrag dat de zelfstandige aan winst uit onderneming heeft, minder is dan dat bedrag, betaalt diegene een lager bedrag aan premie. Als de zelfstandige een hoger bedrag aan winst uit onderneming heeft dan dat bedrag, betaalt diegene premie over het maximum van 142,86% van het wettelijk minimumloon.
Premiepercentage elk jaar vastgesteld
Bij de berekening van de premiegrondslag is gekozen voor een premievrije voet. Uitgangspunt is dat de zelfstandige minder of geen premie op grond van dit wetsvoorstel hoeft te betalen indien diegene naast de door hem genoten winst uit onderneming ook voor de werknemersverzekeringen verzekerd inkomen heeft (het SV-loon).
De regering heeft gekozen voor een uniform premiepercentage dat ongeacht leeftijd, geslacht, of beroep voor elke zelfstandig ondernemer gelijk is.
UWV stelt het premiepercentage vast voor een bepaald jaar. Dit gebeurt voor de start van het kalenderjaar.
Voorbeelden verschuldigde premie
Een aantal vereenvoudigde voorbeelden weergegeven over de hoogte van de premie. In de voorbeelden wordt de maximale grondslag voor de verzekering (142,86% van het wettelijk minimumloon) gelijkgesteld aan € 38.000 en de premie voor de verzekering bedraagt 5,4%% van de winst uit onderneming.
- Jasper heeft een winst uit onderneming van € 38.000, dat is gelijk aan de maximale grondslag. De hoogte van de premie is dan ongeveer € 171 bruto per maand (5,4% * € 38.000/12).
- Elena heeft een winst uit onderneming van € 45.000, dat is hoger dan de maximale grondslag. De hoogte van de premie is dan ongeveer € 171 bruto per maand (5,4% * € 38.000/12).
- Tessa heeft een winst uit onderneming van € 25.000, dat is lager dan de maximale grondslag. De hoogte van de premie is dan ongeveer € 113 bruto per maand (5,4% * € 25.000/12).
- Claudia heeft een winst uit onderneming van – € 10.000, dat is lager dan de maximale grondslag. Doordat hier sprake is van een negatieve winst uit onderneming bedraagt de premie € 0, aangezien geen sprake kan zijn van een negatieve premie.
- Steffen heeft een winst uit onderneming van € 25.000 en geniet daarnaast € 25.000 aan (SV-)loon als werknemer. Het (SV-)loon (€ 25.000) wordt in mindering gebracht op de maximale premiegrondslag (€ 38.000) en daarmee wordt de maximale premiegrondslag (€ 13.000). € 13.000 van de € 25.000 genoten winst uit onderneming geldt dan als premiegrondslag. De hoogte van de premie is dan ongeveer € 59 bruto per maand (5,4% * € 13.000/12).
Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld voor de premie voor de nieuwe publieke verzekering ook te voorzien in fiscale aftrekbaarheid als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Ook wordt voorgesteld te bepalen dat de premies van de publieke verzekering niet aftrekbaar zijn van de winst zodat geen dubbele aftrek van premies kan ontstaan.
Loonheffing
Daarnaast is de regering van plan loonheffing te heffen op de door UWV, op grond van dit wetsvoorstel, verstrekte uitkering, waarvoor een wijziging van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wordt voorbereid. Hiermee geldt een gelijke fiscale behandeling voor zowel de private verzekeringen als de publieke verzekering.
Inwerkingtreding
In 2022 heeft het (toenmalige) kabinet op basis van toenmalige inzichten aan de Tweede Kamer gemeld dat de uitvoering van de verplichtstelling op zijn vroegst kan aanvangen tussen 2027 en 2029, afhankelijk van de vormgeving.
Hierbij geldt dat elke variant van een verzekering voor zelfstandigen met zo veel complexiteit gepaard gaat, dat uitvoering op korte termijn niet voor de hand ligt. Hierbij geldt dat een verplichte publieke bescherming tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico in welke vorm ook veel vraagt van de beoogde publieke uitvoerders. De uiteindelijke datum van inwerkingtreding hangt daarom samen met de vraag wanneer de uitvoerders deze verzekering kunnen uitvoeren.
Advies Raad van State
De Raad van State vindt het ook belangrijk en noodzakelijk om zelfstandigen te beschermen tegen het risico op inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid en om een gelijker speelveld te creëren tussen werknemers en zelfstandigen.
De Raad merkt echter op dat de BAZ, als een nieuw stelsel dat losstaat van de WIA met daarbij de mogelijkheid van een opt-out, de complexiteit van het socialezekerheidsstelsel verder vergroot, terwijl juist een vereenvoudiging van het bestaande stelsel wenselijk is.
Het voorstel is voor de Belastingdienst onder voorwaarden pas uitvoerbaar vanaf 2030. Voor het UWV is het voorstel alleen uitvoerbaar als er voldoende capaciteit beschikbaar is voor de benodigde sociaal-medische beoordelingen. De BAZ is volgens de Raad daarom nauwelijks uitvoerbaar, zeker zolang de uitvoeringsproblemen bij de WIA niet zijn opgelost.
Het kabinet is het met de Raad van State eens dat er ruimte moet worden gecreëerd voor de beoogde uitvoerders om de huidige arbeidsongeschiktheidswetgeving goed uit te voeren, op een wijze waarop ruimte ontstaat om ook zelfstandigen te verzekeren tegen het risico op arbeidsongeschiktheid. Het kabinet ziet hierin echter geen aanleiding om het wetgevingsproces ten aanzien van het voorstel (voorlopig) stil te leggen.

