Een vrouw heeft voor een organisatie logopediewerkzaamheden verricht. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze werkzaamheden op grond van een arbeidsovereenkomst of op grond van een overeenkomst van opdracht zijn verricht. De kantonrechter kwalificeert de overeenkomst tussen partijen als een overeenkomst van opdracht. De vrouw heeft recht op een vergoeding over de opzegtermijn.
Logopediewerkzaamheden op zzp-basis
Vast staat dat partijen de tussen hen gemaakte afspraken hebben vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst van opdracht op grond waarvan de vrouw op zzp-basis logopediewerkzaamheden zou uitvoeren. Feitelijk is de vrouw die werkzaamheden gaan uitvoeren vanaf 1 april 2024 en zij heeft de werkzaamheden uitgevoerd op maandag, dinsdag en woensdagochtend.
Beloning
Voor aanvang van de werkzaamheden per 1 april 2024 hebben partijen overleg gehad over de beloning. Aanvankelijk is door de organisatie een uurloon voorgesteld van € 17,50 per behandeling, maar dat is na overleg € 18 per behandeling geworden.
De vrouw kreeg tijdens vakanties en ziekte niet doorbetaald van de organisatie. Zij stuurde namens haar bedrijf facturen aan de organisatie voor de behandelingen; de organisatie heeft in het begin daarvoor aan de vrouw een voorbeeldfactuur aangereikt.
Werkzaamheden zelfstandig uitgevoerd
De vrouw heeft de logopediewerkzaamheden zelfstandig en naar eigen inzicht uitgevoerd op de locatie van de organisatie en één dag in de week op school. Incidenteel is het voorgekomen dat de vrouw patiënten bij haar thuis behandelde. Daarvoor had de vrouw geen toestemming nodig van de organisatie.
Voor de behandelingen was de vrouw wel afhankelijk van het aantal patiënten dat zij van de organisatie aangedragen kreeg. Van de door de vrouw overgenomen patiënten van een andere zzp’er die bij de organisatie werkte tijdens diens zwangerschapsverlof heeft de organisatie bepaald dat die wegens eerdere terugkomst van die andere zzp’er niet meer hoefden te worden uitgevoerd.
Feitelijk veel vrijheid
Tijdens de zitting heeft de organisatie gesteld dat zij bij het sollicitatiegesprek aan de vrouw de keuze heeft gegeven te werken als werknemer of als zzp’er waarbij zij de vrouw gewezen heeft op het meer gebonden zijn aan verplichtingen als werknemer. Daarvan heeft de vrouw gezegd niet meer te weten of dat zo is voorgelegd aan haar, maar vast staat dat de vrouw met betrekking tot de vervolgens uitgevoerde werkzaamheden feitelijk veel vrijheden had.
Materiaal
De vrouw maakte voor de behandelingen gebruik van materiaal van de organisatie. De organisatie heeft onweersproken gesteld dat de vrouw ook eigen materiaal mocht gebruiken. Er waren geen richtlijnen van de organisatie waaraan de vrouw zich bij de behandeling moest houden. Zij stemde haar behandelingen niet af met de organisatie en/of haar collega zzp-er.
In de getekende overeenkomst van opdracht is vermeld dat de vrouw zich bij de werkzaamheden mocht laten vervangen, maar in de praktijk is het niet voorgekomen dat zij hiervan gebruik maakte. Het was de vrouw toegestaan om nog andere opdrachtgevers te hebben, maar de afgelopen twee jaar heeft de vrouw die niet gehad.
Geen gezagsverhouding
Uit de eerder vastgestelde rechten en verplichtingen blijkt volgens de kantonrechter dat vast is komen te staan dat sprake is van het door de vrouw uitvoeren van werkzaamheden tegen loon. Maar een gezagsverhouding ontbreekt.
De vrouw was werkinhoudelijk volledig vrij in de wijze waarop zij de werkzaamheden uitvoerde.
Niet valt te concluderen dat de vrouw was ingebed in de organisatie en bedrijfsvoering van de organisatie waardoor het inbeddingsaspect niet wijst op een gezagsverhouding. Dit op grond van het volgende:
- De organisatie heeft met de vrouw geen evaluatie- of functioneringsgesprekken gevoerd.
- De vrouw moest het verloop van de behandeling registreren in het systeem van de organisatie. Dit omdat de organisatie een contract had met de zorgverzekeraar die de organisatie betaalt voor elke uitgevoerde behandeling. Gebruik van het e-mailadres van het kantoor van de organisatie ligt gezien dat contract van de organisatie met de zorgverzekeraar ook voor de hand.
- Het feit dat de vrouw eerder een kerstpakket heeft ontvangen is verder een onvoldoende aanwijzing van inbedding van de vrouw in de organisatie. Te meer omdat de organisatie onweersproken heeft gesteld dat zij iedereen in haar omgeving een kerstpakket had gegeven.
Overeenkomst van opdracht
Het commercieel risico lag bij de vrouw omdat zij afhankelijk was van de gewerkte uren en tijdens schoolperiodes waren er minder behandelingen.
Met betrekking tot het ondernemerschap geldt dat daarvoor geen beperking gold voor de vrouw. Zij stond ingeschreven in het handelsregister als zelfstandig ondernemer en factureerde namens haar onderneming, zodat zij zich ook naar buiten toe als ondernemer presenteerde.
Dat de vrouw geen andere opdrachtgever heeft aangenomen, is een keuze van de vrouw en neemt niet weg dat zij zich als ondernemer kon gedragen.
De voornoemde omstandigheden samen brengen de kantonrechter tot de conclusie dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten.
Vergoeding voor onredelijke opzegtermijn
De vrouw verzoekt om toekenning van een vergoeding omdat er geen redelijke opzegtermijn in acht is genomen. Zij stelt dat sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd en een opzegtermijn van vier maanden redelijk is.
De organisatie betwist dat er een overeenkomst voor onbepaalde tijd is. Zij beroept zich erop dat de overeenkomst van opdracht per Whatsapp is verlengd tot 1 september 2025 en er dus een overeenkomst voor bepaalde tijd is die van rechtswege is geëindigd.
De kantonrechter oordeelt dat uit het Whatsapp-contact van 31 juli 2025 waarin de organisatie zegt “Contract is maandje uitgesteld, komt per 1-9 (…)” en de vrouw reageert “Oke is goed” niet kan worden afgeleid dat de vrouw akkoord was met een overeenkomst van opdracht tot 1 september 2025. Zij ging ervan uit dat zij vanaf 1 september 2025 bij de organisatie in loondienst zou werken.
Overeenkomst van een jaar
De kantonrechter volgt de vrouw verder niet in de stelling dat sprake is van een overeenkomst van opdracht voor onbepaalde tijd omdat de overeenkomst wordt geacht per 1 juli 2025 onder dezelfde voorwaarden te zijn voortgezet. Dit betekent dat de overeenkomst per 1 juli 2025 voor eenzelfde duur van een jaar is voortgezet.
Opzegtermijn van twee maanden
Op grond van artikel 7 van de overeenkomst van opdracht geldt een opzegtermijn van twee maanden. De kantonrechter oordeelt dat het belang van de vrouw bij de opzegtermijn is dat zij gedurende de opzegtermijn nog inkomsten kan genereren. De organisatie heeft de verschuldigdheid van loon over de opzegtermijn ook niet, althans onvoldoende, betwist.
Omdat de organisatie de overeenkomst bij brief van 21 augustus 2025 heeft opgezegd, betekent dit dat de overeenkomst van opdracht per 22 oktober 2025 is beëindigd.
Loon vaststellen
De vrouw heeft recht op loon over de periode vanaf 1 september 2025 tot 22 oktober 2025.
Voor de vraag van welk loon moet worden uitgegaan, geldt dat de vrouw ook in de periode van april 2024 tot en met juni 2024 gewerkt heeft voor de organisatie en die periode moet ook worden meegenomen voor de bepaling van de hoogte van het loon.
Daarnaast heeft de organisatie zich er volgens de kantonrechter terecht op beroepen dat de periode van februari 2025 tot en met juni 2025 niet representatief is omdat de vrouw in die periode voor een zwangere collega waarnam en toen tijdelijk extra heeft gewerkt. Gelet daarop neemt de kantonrechter de periode van februari 2025 tot en met juni 2025 niet mee.
Het totaal door de vrouw gefactureerde bedrag van € 16.200 wordt gedeeld door 12 maanden (in plaats van 17 maanden) en dat komt neer op een all-in maandloon van € 1.350 bruto.
Voor wat betreft de periode van 1 oktober 2025 tot 22 oktober 2025 wordt het loon vastgesteld op € 914,52 (€ 1.350/31 x 21). Dit betekent dat over de periode van 1 september 2025 tot 22 oktober 2025 dan een totaalbedrag van € 2.264,52 (€ 1.350 + € 914,52) bruto toewijsbaar is.
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1391

