Een vrouw is op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaam als beherend apotheker bij gedaagde. De apotheek heeft de overeenkomst opgezegd. Volgens de vrouw is deze opzegging in strijd met de gemaakte afspraken. Zij vraagt wedertewerkstelling en doorbetaling van het overeengekomen loon. De apotheek vindt dat de overeenkomst rechtsgeldig is geëindigd zodat alle vorderingen moeten worden afgewezen. De kantonrechter wijst de vorderingen van de vrouw (grotendeels) toe.
Waar gaat deze zaak over?
De vrouw is een ervaren, BIG geregistreerde apotheker. Zij is per 1 juni 2024 op basis van overeenkomst van opdracht voor de duur van drie maanden werkzaamheden gaan verrichten voor de apotheek.
In de overeenkomst is bepaald dat partijen na de einddatum opnieuw zouden bekijken in hoeverre behoefte bestaat aan de inzet van opdrachtnemer, bij voorkeur in loondienst in plaats van als zzp’er.
Op 21 augustus 2024 hebben de financieel directeur en de vrouw gesproken over de voortzetting van de samenwerking vanaf 1 september 2024. De apotheek heeft drie opties voor voortzetting van de samenwerking voorgelegd.
Samenwerking via zzp-constructie
De vrouw heeft per e-mail van 22 augustus 2024 aangegeven dat haar voorkeur uitgaat naar samenwerking op basis van een zzp-constructie.
De apotheek heeft de vrouw een overeenkomst van opdracht toegestuurd.
In artikel 3 van de overeenkomst van opdracht is bepaald dat de opdracht aanvangt op 1 september 2024 en wordt aangegaan tot en met 31 december 2026.
Einde inhuur zzp’ers per 1 januari 2026
De financieel directeur heeft de vrouw op 2 september 2025 per e-mail als volgt bericht:
“Gezien de strengere regelgeving rondom de inhuur van ZZP’ers en een mogelijk fictief loondienstverband waarvoor de werkgever/inhuurde aansprakelijk is, hebben we binnen onze hele organisatie besloten om de inhuur van ZZP’ers vanaf 1 januari 2026 te beëindigen. Volgens de website van de overheid (…) is er bij de langdurige inhuur van apothekers sprake van schijnzelfstandigheid en dat is in combinatie met de risico’s en boetes die hieraan verbonden zijn voor onze organisatie reden om te stoppen met de inhuur van ZZP’ers. Met name het feit dat de overheid het gedogen gaat omzetten naar handhaving speelt hierbij een belangrijke rol.
Graag zou ik met jou om tafel gaan om te kijken of er een andere manier is waarop we onze samenwerking kunnen voortzetten. Onze insteek hierbij is of we samen kunnen kijken naar een loondienst van voor de werkzaamheden die nu als ZZP’er worden uitgevoerd. (…)”
Partijen hebben vervolgens overleg gehad over hun samenwerking. De apotheek heeft de vrouw op 22 oktober 2025 een pro forma loonstrook toegestuurd, waaruit bleek dat het bruto maandloon op basis van een arbeidsovereenkomst € 8.199,40 zou bedragen.
Overstap naar dienstverband in loondienst
Per e-mail van 29 oktober 2025 heeft de vrouw aan de financieel directeur laten weten dat zij per 1 januari 2026 wil overstappen van haar huidige zzp-constructie naar een dienstverband in loondienst, en dat zij graag in gesprek gaat over de voorwaarden en de verdere invulling van het dienstverband.
Dit vervolggesprek heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. De dag erna heeft de vrouw per e-mail verzocht om de bevestiging dat partijen tijdens die bespreking tot een akkoord zijn gekomen over een langdurige (onbepaalde) samenwerking als beherend apotheker voor de apotheek.
De financieel directeur reageert per e-mail van 24 november 2025:
“Mijns inziens heb ik afgesproken dat ik eerst (…) de gesprekken met twee nieuwe kandidaten afrond, alvorens een definitieve keuze te maken. (…) Gezien de ervaring die we met elkaar hebben over de afgelopen periode ga ik ervan uit dat we vanaf 1 januari 2026 in loondienst met elkaar verder gaan, dat heb ik volgens mij het gesprek ook op deze manier aangegeven. (…)”
Gevraagd om duidelijkheid
De vrouw heeft vervolgens per e-mail van 25 november 2025 om duidelijkheid gevraagd over de afspraken en haar positie binnen de apotheek. Zij vraagt onder meer hoe het kan dat er wordt overwogen om niet met haar door te gaan, terwijl hun overeenkomst geldig is tot en met 31 december 2026.
De financieel directeur heeft zijn beleving van zaken geschetst in een e-mail van dezelfde dag, en aangegeven dat de e-mail van de vrouw helaas een averechts effect heeft op de communicatie en zakelijke relatie die partijen tot dat moment hebben gehad.
Geen werk meer verricht
De vrouw heeft vanaf 1 januari 2026 geen werkzaamheden meer verricht voor de apotheek. Daarnaast heeft zij – na diverse malen aandringen door de apotheek – meegewerkt aan uitschrijving als gevestigd apotheker van de apotheek.
De apotheek heeft inmiddels een werknemer in loondienst die is ingeschreven als gevestigd apotheker.
Bij de kantonrechter ligt de vraag voor of de apotheek de overeenkomst van opdracht heeft opgezegd met ingang van 1 januari 2026.
Aankondiging, geen opzegging
Anders dan de apotheek stelt, kan de e-mail van 2 september 2025 volgens de kantonrechter niet worden opgevat als een opzegging van de overeenkomst van opdracht met de vrouw . De e-mail geldt meer als een algemene aankondiging, en niet als een specifiek tot de vrouw gerichte verklaring dat de apotheek de met haar bestaande overeenkomst wil opzeggen met ingang van 1 januari 2026.
Naar het oordeel van de kantonrechter was de apotheek niet bevoegd om de overeenkomst van opdracht op te zeggen, zodat de opzegging niet tot het einde van de overeenkomst heeft geleid.
Afwijken van hoofdregel
De hoofdregel luidt dat een opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen. Van deze hoofdregel kan in geval van een professionele opdrachtgever zoals hier aan de orde worden afgeweken (artikel 7:413 BW). Anders dan de apotheek aanvoert, hebben partijen van die mogelijkheid gebruik gemaakt.
Partijen hebben de bevoegdheid om de overeenkomst tussentijds op te zeggen beperkt. Ze hebben in artikel 5 van de overeenkomst specifiek aangegeven in welke gevallen de overeenkomst kan worden opgezegd.
Tussentijdse opzegmogelijkheid niet in tweede overeenkomst
De kantonrechter neemt in haar overweging mee dat in artikel 5 van de eerste overeenkomst van opdracht tussen partijen uitdrukkelijk een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid was opgenomen, terwijl deze bepaling over tussentijdse opzegging niet is overgenomen in de tweede overeenkomst van opdracht. De rest van de bepaling over opzegging is wel gelijk gebleven.
Dat partijen de tussentijdse opzegmogelijkheid bewust hebben uitgesloten in de tweede overeenkomst van opdracht blijkt ook uit de e-mail van de vrouw van 18 september 2024. Naar aanleiding van deze e-mail heeft de apotheek de tussentijdse opzegmogelijkheid in de overeenkomst verwijderd. Ook volgt uit de e-mails tussen partijen dat de vrouw een lager uurtarief heeft geaccepteerd dan bij een kortdurende overeenkomst het geval zou zijn.
Tot slot heeft de financieel directeur tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat het de bedoeling was om een langdurige samenwerking met de vrouw aan te gaan, en de opzegtermijn vanwege die bedoeling uit de overeenkomst is verwijderd.
Het was voor de apotheek dus niet mogelijk om de overeenkomst van opdracht zomaar tussentijds op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn.
Opzeggen wegens gewichtige reden
De overeenkomst voorziet in artikel 5 wel in de mogelijkheid om met onmiddellijke ingang op te zeggen wegens een gewichtige reden. Partijen zijn het niet eens over hoe de bepaling moet worden uitgelegd en wat daaronder moet worden verstaan.
‘Risico van handhaving’
De apotheek vindt dat in het risico van handhaving door de Belastingdienst per 1 januari 2026 op schijnzelfstandigheid een gewichtige reden voor opzegging van de overeenkomst is gelegen. De vrouw vindt van niet: de regelgeving waarop gehandhaafd zal worden bestond al ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, en bovendien gold er nog geen strikte handhaving door de Belastingdienst.
De kantonrechter oordeelt dat geen sprake was van een gewichtige reden voor de apotheek om de overeenkomst van opdracht op te zeggen.
Geen controle uitgevoerd
De regels met betrekking tot de vraag wanneer er sprake is van zelfstandigheid of niet bestonden ook al ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van opdracht. Het handhavingsmoratorium van de belastingdienst gold tot 1 januari 2025. Het risico dat voor de apotheek reden is geweest om de overeenkomst van opdracht met ingang van 1 januari 2026 te beëindigen, bestond ook al tijdens het aangaan van de overeenkomst. Dat er een groter risico is door de aankondiging van striktere handhaving door de Belastingdienst, maakt nog niet dat sprake is van een gewichtige reden in de zin van de overeenkomst. Daarbij weegt voor de kantonrechter mee dat vast staat dat de Belastingdienst (nog) geen controle heeft uitgevoerd bij de apotheek.
Geen geldige reden voor opzegging
Uit het voorgaande volgt dat de apotheek geen geldige reden had om de overeenkomst met de vrouw op te zeggen, zodat de opzegging zonder gevolg is gebleven. De overeenkomst van opdracht loopt volgens de kantonrechter dan ook door.
Apotheker uitbetalen
De vordering tot wedertewerkstelling wordt afgewezen. De apotheek heeft onweersproken gesteld dat een apotheek slechts één gevestigd apotheker kan hebben en dat de inmiddels in dienst genomen apotheker als zodanig staat geregistreerd.
De vordering tot betaling van loon over januari 2026 en daaropvolgende maanden is wel toewijsbaar, met dien verstande dat een kilometervergoeding niet aan de orde is. Dit betreft een vergoeding van kosten die de vrouw niet maakt sinds 1 januari 2026.
De verplichting om loon te betalen vloeit voort uit de overeenkomst van opdracht. Dat in de overeenkomst is bepaald dat de vrouw betaald krijgt per gewerkt uur, staat daar niet aan in de weg.
De apotheek heeft het zelf onmogelijk gemaakt voor de vrouw om haar werkzaamheden als gevestigd apotheker bij de apotheek te verrichten. Dit laat overigens onverlet dat de apotheek uiteraard met de vrouw in overleg kan treden over het uitvoeren van haar werkzaamheden bij een andere apotheek die tot de groep behoort, of alsnog bij de apotheek op moment dat de omstandigheden daar wijzigen. De verplichting om het loon te betalen eindigt op het moment dat de overeenkomst rechtsgeldig eindigt, en uiterlijk op de overeengekomen einddatum.
De kantonrechter veroordeelt de apotheek tot betaling aan de vrouw van het achterstallig loon op grond van de overeenkomst van opdracht tussen partijen over de maand januari 2026 van € 14.810,40.
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4049

