Minister Vijlbrief informeert over de stand van zaken van het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers. Dit in relatie tot de planning van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel en de samenloop tussen dit wetsvoorstel, budgethouders en uitvoerders persoonsgebonden budget (pgb).
Inwerkingtreding wetsvoorstel
Het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers kan naar verwachting begin april 2026 plenair worden behandeld in de Tweede Kamer.
In de nota naar aanleiding van het verslag van het wetsvoorstel die in december is gepubliceerd, is aangegeven dat om de voorziene inwerkingtredingsdata van 1 juli 2026 en 1 januari 2027 te halen, het wetsvoorstel tijdig moet worden aangenomen en in april 2026 in het Staatsblad wordt gepubliceerd, vanwege de relatie van dit wetsvoorstel met wijzigingen in de loonaangifteketen.
Met een plenaire behandeling van het wetsvoorstel begin april, is deze planning niet meer haalbaar. Daarom onderzoeken de Belastingdienst en het UWV nu wat voor hen de eerst mogelijke inwerkingtredingsdata zijn. Naar verwachting betekent dit dat het onderdeel gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden op zijn vroegst per 1 januari 2027 en de overige onderdelen per 1 januari 2028 in werking kunnen treden.
Interactie wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers en pgb
Daarnaast wil de minister informeren over de interactie van het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers en het persoonsgebonden budget (pgb).
Uit de uitvoeringstoets van SVB in december bleek dat het wetsvoorstel binnen de huidige voorwaarden en uitvoering van het pgb niet uitvoerbaar is. Niet zonder grote gevolgen voor pgb-houders en forse uitvoeringslasten voor de pgb-keten die zo groot zijn dat uitvoering niet binnen afzienbare tijd (voor 2030) mogelijk is.
Het voornemen is daarom dat het tijdelijk in stand houden van de mogelijkheden om oproepcontracten (waaronder nulurencontracten) af te sluiten en een verkorte tussenpoos van 6 maanden te behouden voor pgb-houders en pgb-zorgverleners het meest zorgvuldig is. Dit betekent dat de wijzigingen op deze punten voor pgb-houders en pgb-zorgverleners nog niet in werking treden.
Op dit moment zijn er in totaal ongeveer 103.000 budgethouders. Van deze budgethouders zijn er ongeveer 16.500 werkgever (soms met meerdere arbeidsovereenkomsten). Het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers heeft dus potentieel betrekking op de ongeveer 15% van de budgethouders die werkgever is (en dus de meeste budgethouders niet).
Flexibele uren
Voor dit wetsvoorstel zit de problematiek in 13.082 arbeidsovereenkomsten met flexibele uren die zijn afgesproken (9.126 zijn arbeidsovereenkomsten met vaste uren, waar het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers geen invloed op heeft).
Kern hierbij is dat het pgb een instrument is om zelf zorg in te kopen op eigen voorwaarden, waarbij flexibiliteit belangrijk is. In een minderheid van de gevallen wordt dit op een manier ingekocht dat de pgb-houder individueel werkgever voor een pgb-zorgverlener wordt. In die gevallen komt het arbeidsrecht in beeld.
De afgelopen periode heeft al duidelijk gemaakt dat het arbeidsrecht en het pgb op gespannen voet staan met elkaar. Zo bracht de SVB in hun stand van de uitvoering al eerder naar voren dat het werkgeverschap in het pgb moeilijk is voor pgb-budgethouders.
Het kabinet signaleert hierbij de dilemma’s tussen de nieuwe beweging richting meer zekerheid op de arbeidsmarkt bij flexibele contracten, het doenvermogen van pgb-houders én de vrijheid binnen en vormgeving van het pgb.
Gestart wordt met het uitvoeren van een verkenning naar een vereenvoudigd en verlicht regime voor budgethouders, waarbij het verlichten van de administratieve lasten en de arbeidsrechtelijke verplichtingen nadrukkelijk wordt betrokken.
Het kabinet gaat met de betrokken uitvoerders in overleg over wat een tijdelijke uitzondering voor pgb-houders en zorgverleners op het wetsvoorstel betekent voor hun uitvoering en per welke termijn een oplossing uitvoerbaar is.
Kamerbrief relatie wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers en pgb

