Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de werknemer aan de werkgever de gefixeerde schadevergoeding moet betalen. Daarnaast is aan de orde de vraag of de werknemer moet worden veroordeeld tot betaling van de door de werkgever gemaakte onderzoekskosten.
Vergoeding verschuldigd
Art. 7:677 lid 2 BW bepaalt dat de partij die door opzet of schuld een dringende reden geeft aan de andere partij, een vergoeding verschuldigd is, als op basis daarvan ook daadwerkelijk is opgezegd. Er is sprake van opzet of schuld als de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde reden verwijtbaar is aan de andere partij. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever voldoende heeft onderbouwd dat daarvan sprake. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Elders werken
Aan het ontslag op staande voet is het uitvoeren van werkzaamheden elders ten grondslag gelegd. De werknemer heeft erkend dat hij (onbezoldigde) werkzaamheden voor een derde heeft verricht terwijl hij in dienst was bij de werkgever en uitgevallen was wegens ziekte.
Werken elders moeten vermelden
De werknemer voert aan dat hij zich oriënteerde op een carrièreswitch. Dat kan zo zijn, maar daarbij gaat hij eraan voorbij dat hij aan de bedrijfsarts en de werkgever had aangegeven niet te kunnen re-integreren en zelfs niet in staat te zijn om koffie bij de werkgever te komen drinken. Bovendien werd zijn loon doorbetaald. Hij had het werken elders dan ook moeten melden aan de werkgever, maar heeft dat niet gedaan. Dat is verwijtbaar. Dat niet is komen vast te staan dat de werknemer, zoals hij heeft aangevoerd, niet werd betaald voor zijn werkzaamheden elders, doet hier niet aan af.
Dit betekent dat de werknemer de gefixeerde schadevergoeding aan de werkgever verschuldigd is, zodat de verzochte verklaring voor recht toewijsbaar is.
Op grond van artikel 7:677 BW lid 3 BW is de vergoeding gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.
De werknemer heeft niet weersproken dat de gefixeerde schadevergoeding € 3.809,22 bruto bedraagt. Dit bedrag is gedeeltelijk met de eindafrekening verrekend. Dit betekent dat het resterende bedrag van € 1.153,97 toewijsbaar is, vermeerderd met de niet betwiste wettelijke rente vanaf 12 december 2024.
Kosten recherche
De werkgever verzoekt de werknemer te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 15.768,06 aan gemaakte onderzoekskosten. Die kosten komen als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking als sprake is van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW ). Het bepaalde in artikel 6:96 BW vereist een dubbele redelijkheidstoets. De kosten moeten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang van de kosten moet redelijk zijn.
Recht om ziekmelding te checken
Uitgangspunt is dat de werkgever het recht heeft een ziekmelding te controleren en dat de inspanningen van partijen erop gericht zijn zo snel als mogelijk te komen tot werkhervatting, al dan niet in aangepast werk of bij derden.
De werkgever stelt dat hem verhalen bereikte van een oud-werknemer dat de werknemer werkzaamheden elders zou verrichten en dat dit, mede gelet op het voorgaande langdurige ziekteverzuim en de eigen betermelding kort voor het verstrijken van de tweejaarstermijn, ertoe heeft geleid dat zij het recherchebureau opdracht heeft gegeven om een onderzoek naar de werknemer in te stellen.
Werknemer moet kosten betalen
De kantonrechter oordeelt dat het in de gegeven omstandigheden redelijk is geweest dat de werkgever deze onderzoekskosten heeft gemaakt. Uit het onderzoek volgde immers de bevestiging dat de werknemer tijdens zijn ziekte elders werkzaamheden verrichtte. De door de werkgever gemaakte onderzoekskosten moet de werknemer dan ook betalen.
De kantonrechter oordeelt dat de onderzoekskosten voldoende zijn onderbouwd met de overgelegde gespecificeerde facturen. De werkgever heeft de in de facturen in rekening gebrachte btw verrekend. Het bedrag van € 15.768,06 is dan ook toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking is ook toewijsbaar.
Uitspraak Rechtbank Amsterdam, 27 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3434
Zie ook:

