De minister concludeert dat het amendement ingrijpende gevolgen heeft voor de pensioentransitie en dat aanvaarding van het amendement waarschijnlijk tot aanzienlijke vertraging leidt in de transitie en veel meer kosten heeft. Hij vindt dat ongewenst.
Solide draagvlak voor transitie
Met de indieners van het amendement onderschrijft de minister het belang van vertrouwen in het pensioenstelsel en een solide draagvlak voor de transitie. Na de zorgvuldige en uitgebreide wetsbehandeling van de Wtp, wordt er sinds medio 2023 uitvoering gegeven aan deze grote stelselherziening. Het is de verantwoordelijkheid van de minister om de uitvoering van de pensioentransitie zorgvuldig te laten plaatsvinden, wat ook bijdraagt aan het vertrouwen in het pensioenstelsel.
Het is en blijft daarbij noodzakelijk om open te staan voor signalen en te zorgen dat eventuele fouten voor deelnemers snel en adequaat worden hersteld. Daarbij moet de wetgever balans vinden tussen het bieden van voorspelbaarheid aan uitvoerende partijen en het tijdig doorvoeren van verbeteringen in het wettelijk kader waar nodig.
Waar gaat het amendement over?
Het amendement schrijft voor dat het pensioenfonds kan invaren met uitzondering van deelnemers die daartegen bezwaar maken, dan wel na het houden van een referendum. Dat zal in de praktijk leiden dat een onbekend aantal individuele deelnemers niet zal invaren dan wel dat regelingen als geheel niet zullen invaren.
Wat zegt de Raad van State?
De minister volgt de redenering van de Raad van State dat alleen zeer bijzondere en urgente nieuwe inzichten en rechtspraak een heropening van het debat, dat in feite de stelselherziening als zodanig betreft, rechtvaardigen, mede omdat de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel al in volle gang is en voor sommige pensioenfondsen zelfs al is afgerond. Alhoewel het amendement volgens de indieners niet beoogt het fundament van het nieuwe pensioenstelsel aan te tasten, raakt het wel een kernelement van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel.
Van Hijum merkt op dat de adviezen en zienswijzen waaraan wordt gerefereerd, gaan over het gewijzigd amendement Joseph c.s. dat op 13 februari 2025 is ingediend. Hoewel er een aantal wijzigingen is doorgevoerd in het nader gewijzigde amendement, blijven de observaties over het invoeren van een goedkeuringsrecht via een individueel bezwaarrecht dan wel collectief referendum in de kern overeind.
Niet-invaren
Het amendement schrijft voor dat het pensioenfonds kan invaren met uitzondering van deelnemers die daartegen bezwaar maken, dan wel na het houden van een referendum. Dat zal in de praktijk leiden dat een onbekend aantal individuele deelnemers niet zal invaren dan wel dat regelingen als geheel niet zullen invaren.
Het niet-invaren leidt tot meer losstaande en kleinere pensioencollectieven dan in de uitgangssituatie. De al opgebouwde pensioenvermogens zullen gescheiden worden van de nieuwe opbouw. De mogelijkheden voor het collectief risico’s delen tussen generaties zullen daardoor beperkter zijn. Deze beperking van de intergenerationele solidariteit heeft een prijs: het perspectief voor het eerder verhogen van pensioenen zal in de meeste gevallen verminderen. Berekeningen van DNB bevestigen dit beeld.
Verplichtstelling
Ook brengt de situatie van kleinere collectieven en beperktere solidariteitselementen met zich mee dat de houdbaarheid van de verplichtstelling onder druk kan komen te staan. De verplichtstelling is een wezenlijk kenmerk van het Nederlandse pensioenstelsel, waardoor miljoenen werknemers kunnen rekenen op een adequate financiële oude dag. Dankzij de verplichtstelling bouwen meer werknemers pensioen op en kunnen risico’s gedeeld worden zonder dat er sprake is van selectie-effecten.
Individueel bezwaarrecht
Ten tijde van de behandeling van de Wtp is het individueel bezwaarrecht uitgebreid besproken.
Er is niet voor het individueel bezwaarrecht gekozen om een aantal redenen:
- De deelnemer blijft achter in een pensioenregeling waar geen nieuwe toetreders meer bijkomen en geen premie meer binnenkomt. De kans op een verbetering van zijn pensioenperspectief neemt hierdoor veelal niet toe en mogelijk zelfs af.
- Het individuele bezwaarrecht vereist dat de deelnemer in staat is een afweging te maken ten aanzien van het wel of niet invaren. Dit vraagt van de deelnemer dat hij beschikt over voldoende tijd, energie en kennis om zich hierin te verdiepen. Daarnaast bestaat er een risico dat een deelnemer zich niet goed realiseert wat de nadelige gevolgen zijn van het niet-invaren waardoor hij verkeerde keuzes maakt.
- Als laatste geldt bij individueel bezwaarecht dat zelfs als maar een klein deel van de deelnemers bezwaar maakt, de nadelen voor alle deelnemers in het collectief in een pensioenfonds en daarmee ook voor de groep die geen bezwaar maakt, groot kunnen zijn (zoals complexiteit van collectieve uitvoering van meerdere regelingen naast elkaar en communicatie en de toename van uitvoeringskosten).
Deze nadelen voor het collectief kunnen dan vermoedelijk nog tientallen jaren voortduren. Het parlement en de regering hebben uiteindelijk gekozen voor de vormgeving zoals nu is opgenomen in de Pensioenwet.
Gevolgen voor werkgevers
Met het amendement is nog altijd sprake van afschaffing van de doorsneesystematiek, zowel in het geval van een referendum of individueel bezwaarrecht. Hierbij moet worden opgemerkt dat in het nader gewijzigde amendement weliswaar wordt beoogd om ook bij niet-invaren uit het vermogen te kunnen compenseren, het de vraag is of dit juridisch houdbaar is.
Niet-invaren zou leiden tot minder ruimte voor compensatie vanuit de pensioenbuffers van ABP en PFZW, het vergroten van het compensatievraagstuk en tot meer druk op compensatie vanuit de premie. Dit leidt tot minder loonruimte voor overheids- en zorgpersoneel, wat negatieve sectorale arbeidsmarktimplicaties kan hebben.
Bij het ABP is voorzien dat 3% van de pensioenverplichtingen benodigd is voor compensatie afschaffing doorsneesystematiek om, met invaren, tot een evenwichtige transitie te komen. Dit gaat bij ABP om ca. € 15 miljard. Bij PFZW is ook voorzien dat 3% van de pensioenverplichtingen, oftewel circa € 7,5 miljard nodig is om tot een evenwichtige transitie te komen.
Voor overheid- en zorgwerkgevers betekent niet-invaren dat circa € 22,5 miljard uit extra premie of versoberingen van de pensioenregeling moet komen om een evenwichtige pensioentransitie te bereiken.
Voor overige werkgevers zullen de werkgeverslasten bij niet-invaren fors toenemen, dan wel zullen de pensioenopbouw van hun medewerkers flink naar beneden moeten worden bijgesteld.
Ingrijpende gevolgen
De minister komt tot de conclusie dat het amendement ingrijpende gevolgen heeft voor de transitie die met de parlementaire aanvaarding en inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen in gang is gezet. Aanvaarding van het amendement zal naar verwachting leiden tot aanzienlijke vertraging in de pensioentransitie, juridische tegenstellingen en hogere kosten voor zowel de overheid als pensioenuitvoerders.
Niet gewenst
Vanuit de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de minister voor de naleving van afspraken uit het Pensioenakkoord, ordentelijke wetgeving en voorspelbaarheid voor de uitvoering acht hij dit niet gewenst.
De Tweede Kamer zal moeten afwegen of deze effecten opwegen tegen de veronderstelde verbetering van het draagvlak voor de transitie, door aan het omzetten van al opgebouwde rechten naar het nieuwe pensioenstelsel alsnog een individueel bezwaarrecht of een referendum te verbinden. Inhoudelijk deelt Van Hijum de intentie van het amendement om deelnemers beter en actiever te betrekken bij de afweging rond het wel of niet invaren van bestaande rechten.
Meer draagvlak voor transitie en meer koopkracht
De bewindsman wil wel op andere manieren tegemoetkomen aan de wens van de indieners, zowel om het draagvlak voor de transitie te vergroten als om meer koopkracht voor de pensioendeelnemers mogelijk te maken. Het is zijn overtuiging “dat we op deze wijze toewerken naar een toekomstbestendig pensioenstelsel dat bijdraagt aan de bestaanszekerheid van jong en oud.“

