Met de motie Stoffer wordt het kabinet verzocht om de kinderbijslag met € 250 miljoen structureel te verhogen en dit te dekken door de inflatiecorrectie bij de indexatie van alle met de tabelcorrectiefactor te indexeren bedragen in de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en de geldende drempelbedragen voor de voor de toeslagen geldende vermogenstoets in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) per 1 januari 2024 te beperken. Met deze nota van wijziging wordt die dekking geregeld.
Beperkte toepassing inflatiecorrectie
De op dit punt voorgestelde wijziging behelst daarom een beperkte toepassing van de wettelijke inflatiecorrectie voor de indexatie van vrijwel alle voor de inkomstenbelasting geldende bedragen en de voor de toeslagen geldende drempelbedragen voor de vermogenstoets per 1 januari 2024.
De beperkte toepassing van de inflatiecorrectie op de voor de toeslagen geldende drempelbedragen voor de vermogenstoets is noodzakelijk om deze bedragen gelijk te houden aan de drempelbedragen voor de beschikking rendementsgrondslag in de inkomstenbelasting.
Indexatiefactor van 1,0961
De wettelijke inflatiecorrectie per 1 januari 2024 bedraagt 9,9%, hetgeen overeenkomt met een tabelcorrectiefactor van 1,099. Om de benodigde € 250 miljoen op te halen wordt de wettelijke inflatiecorrectie voor 97,1% toegepast. Dit betekent dat de toe te passen inflatiecorrectie 0,29%-punt lager wordt vastgesteld op 9,61%. Daarom wordt de te hanteren indexatiefactor vastgesteld op 1,0961.
De vierde kolom van de hierna opgenomen tabel 1 bevat de per 1 januari 2024 geldende bedragen voor de inkomstenbelasting na vermenigvuldiging met de te hanteren indexatiefactor van 1,0961. Dit betreft niet alle bedragen die per 1 januari 2024 voor de inkomstenbelasting met deze indexatiefactor worden geïndexeerd.
Naast deze bedragen worden voor de inkomstenbelasting onder andere ook de grenzen in de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, de maximumbedragen voor de vrijstellingen van groen beleggen en van contant geld, de aanslag- en teruggavedrempel, de hoogste grens van de eigenwoningwaarde voor het eigenwoningforfait en de drempelbedragen voor de beschikking rendementsgrondslag met deze indexatiefactor geïndexeerd.
Indexatie loonheffingskortingen
Daarnaast wordt met deze nota van wijziging geregeld dat de in de loonbelasting met de inkomstenbelasting overeenkomende bedragen ook met de indexatiefactor van 1,0961 worden geïndexeerd. Dit betreft in dit geval de loonheffingskortingen.
Ook wordt met deze nota van wijziging geregeld dat het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor doorwerkt naar de indexatie van de eerste schijfgrens voor belastingplichtigen die op of na 1 januari 1946 zijn geboren. Die schijfgrens wordt wettelijk geïndexeerd volgens de formule: 1 + (75% x (tabelcorrectiefactor – 1)).
Toepassing van die formule met de tabelcorrectiefactor van 1,099 geeft een uitkomst van 1,07425, hetgeen een inflatiecorrectie van 7,425% zou betekenen. Door de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor door te laten werken in deze formule is de uitkomst van de formule 1,0721, hetgeen een inflatiecorrectie van 7,21% betekent.
Het bovenstaande is al verwerkt in de tarieftabellen die ingevolge deze nota van wijziging worden opgenomen in de Wet IB 2001 en de Wet LB 1964.
Tweede knikpunt arbeidskorting
Ten slotte wordt met deze nota van wijziging geregeld dat te hanteren indexatiefactor van 1,0961 ook doorwerkt naar het in het wetsvoorstel opgenomen indexatievoorschrift voor het tweede knikpunt in de arbeidskorting. Dit indexatievoorschrift is nodig vanwege de beoogde beleidsmatige verhoging die in het wetsvoorstel is opgenomen.
Tabel 1: Overzicht IB-parameters 2024 voor belastingplichtigen die op of na 1 januari 1946 zijn geboren, onderscheidenlijk jonger dan of gelijk zijn aan de AOW-leeftijd
| 2023 | 2024 met TCF 1,99 | 2024 met TCF 1,0961 | |
| Tarief schijf 1 | 36,93% | 36,97% | 36,97% |
| Tarief schijf 2 | 49,50% | 49,50% | 49,50% |
| Grens schijf 1 | € 73.031 | € 75.624 | € 75.549 |
| AHK: maximaal | € 3.070 | € 3.374 | € 3.366 |
| AHK: afbouwpunt | € 22.660 | € 24.904 | € 24.839 |
| AHK: afbouwpercentage | 6,095% | 6,652% | 6,638% |
| Arbeidskorting: bedrag grens 1 | € 884 | € 972 | € 969 |
| Arbeidskorting: bedrag grens 2 | € 4.605 | € 5.176 | € 5.163 |
| Arbeidskorting: bedrag grens 3 | € 5.052 | € 5.553 | € 5.538 |
| Arbeidskorting: bedrag grens 4 | € 0 | € 0 | € 0 |
| Arbeidskorting: afbouwpunt* | € 37.691 | € 39.898 | € 39.939 |
| Arbeidskorting: afbouwpercentage | 6,51% | 6,51% | 6,51% |
| IACK: maximaal | € 2.694 | € 2.961 | € 2.953 |
| IACK: inkomensgrens | € 5.547 | € 6.096 | € 6.080 |
| IACK: opbouwpercentage | 11,45% | 11,45% | 11,45% |
| Jonggehandicaptenkorting | € 820 | € 902 | € 899 |
| Zelfstandigenaftrek | € 5.030 | € 3.750 | € 3.750 |
| Mkb-winstvrijstelling | 14% | 12,7% | 12,7% |
*Het afbouwpunt van de arbeidskorting voor 2024 is gekoppeld aan het WML en is pas definitief na vaststelling van het WML in november 2023.
Budgettaire effecten
De voorgestelde maatregel levert structureel € 250 miljoen op ter dekking van de verhoging van de kinderbijslag met € 250 miljoen structureel.
Gevolgen voor burgers
Het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting betekent per saldo een lastenverzwaring voor burgers. De opbrengst van € 250 miljoen komt vooral tot stand door een lagere algemene heffingskorting (AHK) en lagere uitkeringen die via de netto-netto koppeling meebewegen met de AHK (bijna 50% van de opbrengst). Daarnaast draagt de daling van de arbeidskorting in hoge mate bij aan de opbrengst (bijna 30% van de opbrengst).

