Het juist inschalen van uitzendkrachten is een belangrijk onderdeel van de cao-naleving. De Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU) vraagt aandacht voor verkeerde functie-indelingen van uitzendkrachten.
Uitzendkrachten worden in sectoren als de glastuinbouw, bouw, logistiek en metaal nog te vaak weggezet onder de vage noemer van ‘algemeen medewerker’.
De SNCU wil af van dit automatische ‘manusje-van-alles’ en roept uitzendbureaus en inleners op tot meer zorgvuldigheid.
Manusje van alles
Het gebruik van een brede functieomschrijving zoals ‘algemeen medewerker’ kan bij een klein bedrijf met weinig mensen begrijpelijk zijn, omdat taken daar in de praktijk door elkaar lopen. Zodra een organisatie echter groeit naar een omvang van 50 tot 60 medewerkers, is dat niet meer zo.
Uitzendkrachten voeren in de praktijk op de werkvloer vaak specifieke, gespecialiseerde werkzaamheden uit. Zo hoort iemand die op de heftruck rijdt of vaktechnisch werk verricht in de metaal, niet te worden ingedeeld als algemeen medewerker. Een te lage of te algemene functie-indeling betekent dat de uitzendkracht niet het salaris krijgt waar hij of zij recht op heeft.
Kritische blik op functiewaardering
SNCU-directeur Jaap Buis roept de sector op tot scherpte en een kritische blik op de functiewaardering:
“In organisaties van enige omvang is er simpelweg sprake van afgebakende taken en verantwoordelijkheden.
Als je op de heftruck zit, ben je geen algemeen medewerker, maar een heftruckchauffeur met de bijbehorende functiegroep en beloning. We vragen uitzendbureaus en inleners om hier echt zorgvuldiger in te handelen. Een juiste functie-indeling is geen administratief detail, maar het fundament onder de juiste beloning.”
Belangrijk onderdeel van cao-naleving
De SNCU ziet sinds 2024 een stijging in het aantal vragen en signalen over verkeerde functie-indelingen. De SNCU benadrukt dat het correct inschalen van uitzendkrachten een essentieel onderdeel is van de cao-naleving.
De stichting adviseert uitzendorganisaties om functiebeschrijvingen op de werkvloer periodiek te toetsen aan de werkelijke werkzaamheden en de geldende inleenbeloning, om zo fouten en achterstallige loonbetalingen te voorkomen.

