Twee Poolse uitzendkrachten vorderen een reiskostenvergoeding op grond van de CAO Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf, omdat zij gedurende een langere periode tweemaal per week 280 kilometer met een eigen auto heen en weer hebben gereden naar een schoonmaaklocatie. Het verweer van de uitzendonderneming dat zij niet op de hoogte was van het juiste woonadres van de twee uitzendkrachten, houdt geen stand.
Waar gaat deze zaak over?
Een uitzendonderneming heeft uitzendkrachten in dienst en stelt deze uitzendkrachten ter beschikking aan derden (inleners/opdrachtgevers) om onder toezicht en leiding van die derden arbeid te verrichten. de uitzendonderneming maakt gebruik van werving- en selectiebureaus waaronder Injob.
De twee Poolse uitzendkrachten zijn via bemiddeling door Injob vanaf 29 januari 2022 in dienst gekomen bij de uitzendonderneming. De uitzendkrachten zijn door de uitzendonderneming ter beschikking gesteld aan een schoonmaakbedrijf, voor wie zij schoonmaakten bij een bedrijf in Giessen. De afstand vanuit de woonplaats naar Giessen is 138,4 kilometer enkele reis.
Op grond van de NBBU CAO is de uitzendonderneming gehouden een inlenersbeloning te betalen aan de uitzendkrachten. Op grond van artikel 5 lid 1 van de CAO Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf gelden de afspraken van die CAO ook voor uitzendkrachten.
Op 24 november 2024 is het dienstverband tussen de uitzendonderneming en de uitzendkrachten geëindigd.
Vordering uitzendkrachten
De uitzendkrachten vorderen bij de kantonrechter dat de uitzendonderneming € 11.359,94 netto (uitzendkracht 1) en € 12.724,53 netto (uitzendkracht) aan reiskostenvergoeding moet betalen, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging.
De uitzendkrachten leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag:
De uitzendonderneming moet aan de uitzendkrachten de inlenersbeloning betalen op grond van de NBBU CAO. Conform de CAO Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf is een werkgever verplicht om de reiskosten woon-werkverkeer te betalen als een werknemer 60 kilometer of meer per dag moet reizen.
De uitzendkrachten reden iedere zaterdag en zondag met hun eigen auto naar hun werklocatie in Giessen. Dat was meer dan 60 kilometer. De uitzendonderneming heeft niet de volledige reiskostenvergoeding aan de uitzendkrachten voldaan. De CAO vereist niet dat zij bewijs leveren dat daadwerkelijk reiskosten zijn gemaakt. De reiskostenvergoeding kan daarnaast als loon worden aangemerkt, aangezien deze niet is gebaseerd op werkelijke kosten. Daarom wordt ook de wettelijke verhoging gevorderd.
Wat zegt de uitzendonderneming?
De uitzendonderneming zegt nooit te zijn geïnformeerd waar de uitzendkrachten woonden en dat zij daar vandaan met de auto ieder apart per dienst op en neer hebben gereisd naar hun werklocatie in Giessen.
Ook is de aanpassing van de reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht in strijd met artikel 16 lid 8 NBBU CAO, aldus de uitzendonderneming. Daarnaast hebben de uitzendkrachten gedurende hun dienstverband nooit geklaagd dat zij vanuit hun woonplaats en op en neer reisden naar Giessen. Hierdoor is sprake van schending van de klachtplicht.
Deugdelijke administratie
De kantonrechter overweegt dat het juist is dat een werkgever verplicht is een deugdelijke administratie te voeren. Een werkgever is ook gehouden om naar de woonplaats van een werknemer te vragen. Een werkgever is namelijk verplicht om de werknemer schriftelijk of elektronisch informatie te verstrekken over (onder meer) de naam en woonplaats van de partijen bij de arbeidsovereenkomst. Dit leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat de uitzendkrachten recht hebben op de gevorderde reiskostenvergoeding.
Informatieplicht
Bij de invoering van de informatieplicht van de werkgever heeft de wetgever niet bedoeld om de bewijspositie van de werknemer te verbeteren. Dit kan anders zijn als de werkgever niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan en tussen partijen discussie bestaat over de inhoud van de arbeidsovereenkomst. Van dit laatste is hier geen sprake.
Meer dan 60 km reizen
Artikel 34 (oud) en artikel 36 (nieuw) CAO Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf bepaalt dat een werknemer recht heeft op een kilometervergoeding als a) de totale reisafstand van het huisadres naar het werkadres meer bedraagt dan 60 kilometer per dag, en b) per eigen auto wordt gereisd. De uitzendkrachten stellen dat hun huisadres meer dan 60 kilometer van hun werkadres lag.
Laten weten wat woonplaats was
De uitzendonderneming heeft deze specifieke gang van zaken volgens de kantonrechter onvoldoende weersproken. Het staat voldoende vast dat de uitzendkrachten voorafgaand aan de terbeschikkingstelling bij een schoonmaakbedrijf hebben meegedeeld in welke plaats zij woonden. Het had vervolgens op de weg van de uitzendonderneming gelegen om bij de aanvang van het dienstverband een voor beide werknemers correcte reiskostenvergoeding vast te stellen.
Reizen met eigen auto
De uitzendkrachten hebben verder ter zitting meegedeeld dat zij weliswaar in hetzelfde wooncomplex woonden, maar ieder een eigen kamer en een eigen leven hadden; zij reisden steeds met hun eigen auto, nooit samen. Het enkele feit dat de uitzendonderneming dit onaannemelijk vindt, maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat op de uitzendkrachten voor de daadwerkelijk gemaakte reiskosten nog enige bewijslast ligt. De uitzendonderneming had dit bij aanvang van het dienstverband met de uitzendkrachten moeten afstemmen en aldus uitbetalen.
Niet in strijd met NBBU CAO
De uitzendonderneming voert aan dat de vorderingen van de uitzendkrachten in strijd zijn met artikel 16 lid 8 NBBU CAO. Dat verweer wordt verworpen.
Artikel 16 lid 8 NBBU CAO bepaalde in de periode waarop de vorderingen zien dat de toepassing van de inlenersbeloning nooit wordt aangepast met terugwerkende kracht, behalve als (onder meer) de uitzendonderneming zich aanwijsbaar niet heeft ingespannen voor een correcte vaststelling van de inlenersbeloning. Eén van de elementen van de inlenersbeloning is de (reis)kostenvergoeding.
De uitzendonderneming heeft niet gesteld welke inspanningen zij heeft verricht voor het correct vaststellen van de (reis)kostenvergoeding voor de uitzendkrachten. Artikel 16 lid 8 NBBU CAO leidt daarom niet tot afwijzing van de vordering van de uitzendkrachten.
Te laat geklaagd
De uitzendonderneming stelt dat de uitzendkrachten niet binnen bekwame tijd hebben geklaagd, nadat zij hadden ontdekt of redelijkerwijs hadden moet ontdekken dat zij niet de volledige reiskostenvergoeding ontvingen. Zij ontvingen wekelijks loonstroken. De uitzendkrachten hebben bijna twee jaar gewacht met het laten weten waar zij hebben gewoond, waardoor de uitzendonderneming de kans is ontnomen om de reiskostenvergoeding anders in te richten.
De uitzendkrachten hebben meegedeeld dat zij niet hebben gemerkt dat zij de reiskostenvergoeding niet volledig ontvingen. Pas na het einde van het dienstverband hebben zij een looncheck gedaan/laten doen door CNV, waarna zij erachter kwamen dat niet alles klopte.
Administratie- en informatieplicht geschonden
Vast staat dat de uitzendkrachten voorafgaand aan het dienstverband hebben meegedeeld waar zij woonden en dat zij toch in Giessen te werk zijn gesteld. De uitzendonderneming heeft nagelaten een correcte inlenersbeloning (wat betreft reiskostenvergoeding) vast te stellen. Verder heeft zij haar administratie- en informatieplicht geschonden. Niet in de arbeids-/uitzendovereenkomst en ook niet op de loonstroken is een huisadres (in Nederland) vermeld. De uitzendonderneming kan zich wat betreft deze gang van zaken in haar relatie tot de uitzendkrachten niet achter Injob verschuilen.
Op grond van de NBBU CAO moet de uitzendonderneming in een proces voorzien waarmee zij zich ervan verzekert dat de inlenersbeloning correct wordt vastgesteld. Dit maakt dat de uitzendonderneming zich niet op de klachtplicht kan beroepen.
De kantonrechter wijst de reiskostenvergoedingen toe en veroordeelt de uitzendonderneming tot betaling aan uitzendkracht 1 van € 11.359,94 netto aan reiskostenvergoeding en betaling aan uitzendkracht 2 van € 12.724,53 netto aan reiskostenvergoeding,
Geen wettelijke verhoging
De gevorderde wettelijke verhoging wordt afgewezen. Onkostenvergoedingen vallen niet onder het loonbegrip van afdeling 2 titel 10 BW en op grond van artikel 7:625 BW kan de wettelijke verhoging alleen worden toegewezen over het loon. Een reiskostenvergoeding betreft geen vergoeding voor verrichte werkzaamheden, maar een vergoeding voor gemaakte onkosten, zodat daarover geen wettelijke verhoging verschuldigd is.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 8 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:9218

