Het is in strijd met het goed werkgeverschap dat de werkgever het de werknemer verwijt dat de openstaande vakantiedagen niet hoeven te worden uitbetaald vanwege het bepaalde in artikel 7:640 BW want het is juist werkgever die (anders dan door het hof nu is vastgesteld) steeds heeft aangevoerd dat het dienstverband al is geëindigd.
Recht op transitievergoeding
Het hof gaat ervan uit dat de dienstbetrekking tussen partijen nog niet is geëindigd.
De werknemer baseert haar vordering tot uitbetaling van de transitievergoeding ook op de Xella-jurisprudentie. Zij heeft op 25 maart 2025 aan de werkgever verzocht de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Op dat moment was de werknemer ruim langer dan twee jaar arbeidsongeschikt zonder dat er een uitzicht bestond op herstel.
De werkgever handelt in strijd met het goed werkgeverschap als gevolg waarvan de werknemer aanspraak heeft op een transitievergoeding. Deze transitievergoeding bedraagt € 3.556,30 bruto. Dit bedrag is toewijsbaar.
Vakantiebijslag
Voor toekenning van de vakantiebijslag zoals genoemd in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) is niet vereist dat het dienstverband is geëindigd.
Het hof heeft in het tussenarrest al overwogen dat de vordering aangaande de vakantiebijslag is verjaard voor zover deze betrekking heeft op rechten opgebouwd vóór mei 2018, aangezien de werknemer de werkgever pas op 4 mei 2023 heeft verzocht om uitbetaling van die vakantiebijslag.
Geen afwijkende afspraak
In de arbeidsovereenkomst is niets bepaald over vakantiebijslag. Op grond van artikel 17 Wml wordt de vakantiebijslag, afwijkende afspraken uitgezonderd, in de maand juni betaald.
Bij gebrek aan een afwijkende afspraak moest de werkgever de vakantiebijslag over het tijdvak 1 mei 2017 tot en met 31 mei 2018 in de maand juni 2018 betalen. Met haar brief van 4 mei 2023 heeft de werknemer de verplichting tot betaling van dit bedrag tijdig gestuit.
Het salaris over genoemde periode van 1 mei 2017 tot en met 31 mei 2018 bedroeg (12 x € 3.860 =) € 46.320 bruto. 8% vakantiebijslag hierover bedraagt € 3.705,60 bruto.
Over de periode 1 juni 2018 tot 21 juli 2018 heeft de werknemer € 6.350,32 bruto aan salaris ontvangen. De hierbij behorende vakantiebijslag bedraagt 8% van dat bedrag, te weten € 508,03 bruto. Deze bedragen (bij elkaar € 4.213,63 bruto) worden toegewezen, echter – zoals door de werknemer gevorderd – onder vermindering van € 2.614,60 netto. Over dit (eventuele) restant wordt de wettelijke rente toegekend, te rekenen vanaf 4 mei 2023.
Geen afkoop wettelijke vakantiedagen tijdens dienstverband
De werknemer vordert uitbetaling van haar toekomende vakantiedagen en voert daarbij primair aan dat het dienstverband als beëindigd moet worden beschouwd.
De wettelijke vakantiedagen kunnen vanwege het bepaalde in artikel 7:640 lid 1 BW niet tijdens het dienstverband worden afgekocht; ook kan daarvan dan geen uitbetaling worden gevorderd.
Verbod op afkoop niet voor bovenwettelijke vakantiedagen
Het verbod op afkoop geldt niet voor de bovenwettelijke vakantiedagen als bij schriftelijke overeenkomst van het bepaalde in artikel 7:640 lid 1 BW is afgeweken. Van zo’n afwijkende afspraak is niet gebleken.
De werknemer heeft ook niet gesteld welk deel van haar vordering betrekking heeft op eventuele bovenwettelijke dagen. Als onvoldoende onderbouwd strandt de werknemer primaire onderbouwing van haar vordering daarom op het bepaalde in artikel 7:640 BW.
De werknemer geeft als subsidiaire onderbouwing van haar vordering dat de werkgever in strijd handelt met het goed werkgeverschap door de niet genoten vakantiedagen niet uit te betalen.
Verweer werkgever
De werkgever betwist de vordering tot uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen door allereerst te verwijzen naar de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Hierbij is overwogen dat dit verweer niet slaagt.
Verder voert de werkgever aan dat de werknemer diverse malen met toestemming van de werkgever in Turkije verbleef. Voor zover de werkgever hiermee bedoelt het door de werknemer genoemde aantal openstaande vakantiedagen te betwisten gaat het hof daaraan voorbij, nu dit verweer onvoldoende is geconcretiseerd.
Niet gewaarschuwd voor verval
De werkgever wijst er op dat vakantiedagen vervallen op 1 juli na het jaar waarin ze zijn opgebouwd. De werknemer heeft in dat verband onweersproken gesteld dat de werkgever haar niet heeft gewaarschuwd voor het mogelijkerwijs vervallen van die (wettelijke) dagen.
Gelet hierop verwerpt het hof het betoog van de werkgever dat de wettelijke vakantiedagen zoals opgebouwd in 2016, op 1 juli 2017 kwamen te vervallen, en de wettelijke vakantiedagen zoals opgebouwd in 2017, op 1 juli 2018 kwamen te vervallen.
Goed werkgeverschap
Dan resteert de vraag of de werkgever handelt in strijd met het op hem rustende goed werkgeverschap, door het de werknemer tegen te werpen dat de openstaande vakantiedagen niet hoeven te worden uitbetaald vanwege het bepaalde in artikel 7:640 BW.
Het hof oordeelt dat dit inderdaad het geval is, vanwege de volgende omstandigheden.
- Het is juist de werkgever die steeds heeft aangevoerd dat het dienstverband wel is geëindigd. Dat wordt nog eens bevestigd door het feit dat de werkgever naar eigen zeggen heeft opgehouden te bestaan.
- Weliswaar had ook de werknemer voor zo’n beëindiging kunnen zorgen, door zelf de arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar dat heeft zij – begrijpelijkerwijs – niet gedaan omdat dat haar aanspraak op een transitievergoeding zou belemmeren.
- Door te handelen zoals zij heeft gehandeld probeert de werkgever de werknemer te weerhouden uitbetaling van niet-opgenomen vakantiedagen te krijgen, zonder dat daar enige rechtens te respecteren grond voor bestaat. Dat is in strijd met goed werkgeverschap.
Het door de werknemer gevorderde bedrag van € 9.150,58 bruto is voor het overige niet weersproken. Dit bedrag wijst het hof toe.
Beslissing
Het hof veroordeelt de werkgever tot betaling aan de werknemer van:
- € 3.556,30 bruto voor transitievergoeding;
- € 4.213,63 bruto voor vakantietoeslag, verminderd met € 2.614,60 netto;
- € 9.150,58 bruto voor niet-opgenomen vakantiedagen.
Uitspraak Hof Amsterdam, 3 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:274

