De bezuinigingen op de WW en WIA gaan niet door, maar het kabinet wil nog steeds met werkgevers en vakbonden komen tot hervormingen in de sociale zekerheid. Werken moet daarnaast lonen. Het kabinet komt met aanvullende koopkrachtmaatregelen. Ook kiest het kabinet ervoor binnen box 3 zoveel mogelijk onder vermogenswinst te laten vallen.
Drie belangrijke onderwerpen
Wat stelt het kabinet voor aan maatregelen wat betreft box 3, koopkracht van werkenden en sociale zekerheid?
Het kabinet zet in op de volgende drie onderwerpen:
- ruimte bieden voor een akkoord tussen werkgevers en werknemers over de toekomst van het verdienvermogen en de sociale zekerheid;
- een definitieve oplossing voor box 3; en
- het versterken van de koopkracht door het meer laten lonen van werk.
Het kabinet doet op deze thema’s aanvullende voorstellen.
Hervormingen in sociale zekerheid
Hervormingen in de sociale zekerheid zijn volgens het kabinet nodig om er voor te zorgen dat voorzieningen ook voor toekomstige generaties beschikbaar blijven en om meer mensen aan het werk te krijgen.
“De instroom in de WIA is op dit moment zo hoog, dat deze regeling maatschappelijk ongewenste uitkomsten heeft. We zullen met zijn allen moeten hervormen: werken aan betere preventie en verkleining van de instroom in de WIA. Ook het systeem van van-werk-naar-werk begeleiding is onvoldoende. Het is simpelweg te moeilijk om je te blijven ontwikkelen gedurende je eigen loopbaan. Ondanks de krapte op de arbeidsmarkt, staan er te veel Nederlanders onnodig langs de kant, omdat hun vaardigheden onvoldoende aansluiten bij wat de arbeidsmarkt vraagt. (…) Dit vraagt om hervormingen in het werkloosheidsregime.”
Werkgevers geven aan de loondoorbetalingsperiode van 2 jaar ter discussie te willen stellen.
Akkoord tussen werkgevers en werknemers
“Het kabinet wil ruimte maken voor het gesprek aan tafel vanuit een neutraal startpunt en haalt daarom conform de wens van werkgevers en werknemers de eerder voorgenomen hervormingen op de WW, tegemoetkoming arbeidsongeschikten en de WIA (IVA) van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. (…) Met deze stap vooruit biedt het kabinet een handreiking aan de werkgevers en werknemers, in de wetenschap dat dit het begin van het inhoudelijke debat over onze economie en arbeidsmarkt gaat
worden en niet het eind.”
Als de hervormingen die volgen uit de gesprekken tussen werkgevers en werknemers onvoldoende opleveren, bekijkt het kabinet in het voorjaar definitief op welke wijze de besparingen gedekt worden binnen de uitgaven.
Tabel 1. Wijzigingen op de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Aanvullende koopkrachtmaatregelen
Werken moet meer lonen. Het kabinet maakt extra middelen vrij om het koopkrachtpakket verder uit te breiden.
Geen verdere verhoging van de arbeidskorting maar het verhogen van de inkomensgrens voor het toptarief en daarmee ook het langzamer afbouwen van de algemene heffingskorting. Met dit extra koopkrachtpakket verbetert de koopkracht voor werkenden.
Hogere inkomensgrens toptarief
Het kabinet neemt de volgende aanvullende koopkrachtmaatregelen: de verhoging van de arbeidskorting wordt €133 in plaats van €173 en de inkomensgrens waarboven het toptarief geldt, wordt verhoogd. Met dit voorstel valt het inkomen vanaf €80.578 in plaats van €78.426 in de derde schijf van de inkomstenbelasting.
Tabel 2 toont de koopkrachteffecten van het voorstel van het kabinet, exclusief macro-economische doorwerkingen.

Belastingplan/box 3
Het kabinet, kiest voor de snelste route om via een novelle binnen box 3 zoveel mogelijk onder vermogenswinst te laten vallen. Hiermee komt er duidelijkheid voor burgers in Nederland over het belasten van vermogen. Daarnaast wordt hiermee het investeringsklimaat versterkt. Als onderdeel van dit voorstel verlaagt het kabinet tijdelijk het tarief in box 2. Dit stimuleert ondernemers om tegen een lager tarief vastzittend vermogen uit hun
onderneming te halen.
Vermogenswinstbelasting uitgebreid
Op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt een novelle ingediend. Hiermee wordt per 2028 de vermogenswinstbelasting uitgebreid naar alle financiële instrumenten (onder meer aandelen, obligaties en opties). Hierdoor geldt voor het overgrote deel (circa 90%) van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 een vermogenswinstbelasting. In 2030 wordt de overstap gemaakt naar een volledige vermogenswinstbelasting voor de overige vermogensbestanddelen.

- Voor de dekking wordt binnen box 2 voor de duur van 4 jaar het tarief van de tweede schijf in box 2 met 1,8%-punt verlaagd naar 29,2% per 2027.
- Daarnaast wordt in een voorzichtig tempo de mogelijkheid voor excessief lenen afgebouwd tot €100.000 in vijf stappen van €80.000 per 2027. Leningen voor de eigen woning worden hierin niet meegenomen.
- Binnen box 3 wordt per 2027 het heffingsvrij vermogen terug naar het niveau van 2020 (€30.846) gebracht. Per 2028 geldt een heffingsvrij resultaat van €1.000. Dit betekent bijvoorbeeld dat spaarders met een rente
van 2% over de eerste €50.000 van hun vermogen geen belasting betalen. - De resterende dekking wordt gevonden door het forfait voor overige bezittingen waaronder ook de huurinkomsten en voordelen uit eigen gebruik van onroerende zaken te verhogen met 1,5% punt in 2027.
Het minderheidskabinet wil de plannen voor de vermogensbelasting zo wijzigen dat kleinere spaarders en beleggers worden ontzien. Dat heeft minister Heinen van Financiën gezegd op de tweede dag van de Algemene Financiële Beschouwingen, zo meldt de NOS.
De vrijstelling gaat in de voorstellen omlaag, zodat mensen al aangeslagen zouden worden als ze per jaar meer dan €1.000 rendement halen op hun spaargeld of beleggingen. Die grens was gekozen omdat een stel met spaargeld tot circa €100.000 dan uitgezonderd is. Maar veel mensen die nu nog geen belasting betalen over hun spaargeld, zouden dat dan ineens wel moeten gaan doen. Dat heeft minister Heinen onderschat. “Wij zijn bereid tot een andere grens“, zei hij.
Voorstellen op box 3, koopkracht werkenden en sociale zekerheid
Antwoord informatieverzoek reeksen box 3 2040

Op de Nationale Salarisdag hoor je alles over de relevante maatregelen op het gebied van fiscaliteit en sociale zekerheid.


