De werknemer maakt gebruik van de 30%-regeling. Bij verandering van werkgever wordt eerst een nulurencontract gesloten en enige tijd later een vast contract. De rechtbank oordeelt dat voor de vraag of de 30%-regeling kan worden toegepast moet worden uitgegaan van de aanvang van het dienstverband. En omdat er toen geen vast loon was overeengekomen kan de 30%-regeling niet worden toegepast. Het beroep is ongegrond.
Waar gaat deze zaak over?
De werknemer is met ingang van 6 november 2023 werkzaam geweest bij werkgever 1. Bij beschikking is aan de werknemer toepassing van de 30%-regeling toegekend voor de periode 6 november 2023 tot en met 5 november 2028. De feitelijke werkzaamheden van de werknemer bij werkgever 1 zijn geëindigd op 19 juli 2024. Administratief bleef het dienstverband bestaan tot en met 31 juli 2024.
Eerst nulurencontract
De werknemer is op 22 juli 2024 een nulurencontract aangegaan met werkgever 2. De werkzaamheden bij werkgever 2 zijn ook die dag begonnen. Het nulurencontract voorzag in een uurloon van € 32,37.
Toen vast dienstverband
Op 13 augustus 2024 zijn de werknemer en werkgever 2 een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan. In deze arbeidsovereenkomst kwamen de werknemer en werkgever 2 een vast dienstverband overeen met een bruto maandsalaris van € 3.909. Met het daarvoor bestemde formulier hebben de werknemer en werkgever 2 een verzoek om toepassing van de 30%-regeling ingediend.
Het formulier is op 20 september 2024 ondertekend door de werknemer en op 26 september 2024 door werkgever 2. De inspecteur van de Belastingdienst heeft het formulier op 1 oktober 2024 ontvangen. Hij heeft het verzoek afgewezen.
De werknemer en werkgever 2 hebben tegen de beschikking bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift is onder meer gesteld dat feitelijk vanaf 22 juli 2024 geen sprake was van een tewerkstelling bij werkgever 1 en vanaf 22 juli 2024 tot en met 31 juli 2024 feitelijk geen sprake was van twee gelijktijdig bestaande dienstverbanden. Als subsidiair standpunt werd voorgesteld om de 30%-regeling te laten ingaan op 13 augustus 2024.
Bij de bestreden uitspraak op bezwaar is de beschikking gehandhaafd.
Toepassing 30%-regeling terecht geweigerd?
In geschil is of verweerder de toepassing van de 30%-regeling terecht heeft geweigerd.
De werknemer stelt zich op het standpunt dat de 30%-regeling ten onrechte is geweigerd en heeft daarvoor aangevoerd dat de economische werkelijkheid moet uitgaan boven de juridische vorm van de tewerkstelling.
Uit de stukken blijkt volgens de werknemer duidelijk dat werkgever 2 van meet af aan de bedoeling had de werknemer een vast contract aan te bieden. Het nulurencontract was bedoeld als tijdelijke oplossing in verband met immigratierechtelijke redenen en omdat de bevoegde functionaris bij het begin van de werkzaamheden bij werkgever 2 met vakantie was.
Het nulurencontract en het vaste contract vormden samen één samenhangende rechtshandeling en het zou, aldus nog steeds de werknemer, in strijd zijn met de doelstelling van de 30%-regeling om toepassing daarvan te weigeren vanwege een administratieve noodmaatregel, terwijl aan alle materiële voorwaarden is voldaan.
Geen vast salaris
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de toepassing van de 30%-regeling terecht is geweigerd en heeft daarvoor aangevoerd dat met het nulurencontract geen vast salaris was gegarandeerd en de werknemer daarmee niet voldeed aan het criterium voor specifieke deskundigheid dat het loon op jaarbasis minimaal € 46.107 moet bedragen.
Verder stelt de inspecteur dat de arbeidsovereenkomst van 13 augustus 2024 is aangegaan voor een latere periode na beëindiging van de vorige tewerkstelling en daarom niet in aanmerking kan worden genomen.
Is voldaan aan de looneis?
De 30%-regeling geldt voor uit het buitenland aangeworven werknemers die een bepaalde deskundigheid hebben die in Nederland niet of schaars voorhanden is. Voor het jaar 2024 wordt die deskundigheid aanwezig geacht als het loon op jaarbasis minimaal € 46.107 bedraagt. Het moet daarbij gaan om het overeengekomen vaste loon. Dat de werknemer uit het buitenland is aangeworven is niet in geschil, het geschil spitst zich toe op de vraag of is voldaan aan de looneis.
Toetsmoment is aangaan arbeidsovereenkomst
Het toetsmoment voor het al dan niet voldoen aan de looneis is het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Dit heeft tot gevolg dat wanneer een arbeidsovereenkomst is gesloten waarmee niet aan de looneis wordt voldaan, een latere wijziging van de arbeidsovereenkomst er niet toe leidt dat de 30%-regeling, met terugwerkende kracht of vanaf dat latere moment, alsnog kan worden toegepast.
Ingangsdatum nulurencontract
Volgens de preambule van het nulurencontract werd het nulurencontract aangegaan voor drie weken, waarvan twee weken proeftijd. De ingangsdatum van het nulurencontract is het toetsmoment voor de looneis.
Geen vast overeengekomen loon
Met het nulurencontract was voorzien in een loon per uur, maar niet in een gegarandeerde minimum werktijd. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake was van een vast overeengekomen loon en op de ingangsdatum van het nulurencontract niet werd voldaan aan de looneis. Dat het nulurencontract later werd omgezet in een vast contract, maakt dit niet anders.
Bewuste keuze voor z.s.m. arbeidscontract afsluiten
De werknemer en werkgever 2 hebben er bewust voor gekozen met spoed een arbeidscontract af te sluiten zodat hij snel kon beginnen. Dat – zoals de werknemer heeft aangevoerd – het nulurencontract was bedoeld als tijdelijke administratieve maatregel en dat het nulurencontract en de daarop volgende arbeidsovereenkomst als één samenhangende rechtshandeling moeten worden gezien, kan hem niet baten omdat nergens uit blijkt dat het van begin af aan de bedoeling was dat de werknemer een vaste aanstelling kreeg met een voldoende vast salaris.
De afwezigheid van de bevoegde HR-functionaris wegens vakantie maakt dit niet anders. Ook de immigratiestatus van de werknemer, waarover is toegelicht dat hij vanaf het einde van zijn dienstbetrekking bij werkgever 1 op 31 juli 2024 nog 30 dagen de tijd had om een nieuwe baan te vinden, maakt het voorgaande niet anders.
De inspecteur heeft de toepassing van de 30%-regeling terecht geweigerd.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 5 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2541

