In deze zaak vordert een werknemer aanvullende vergoeding van niet-genoten vakantie-uren na het einde van het dienstverband. De kantonrechter oordeelt dat de vordering voor een deel toewijsbaar is, omdat de uitgekeerde bonussen wel in aanmerking komen voor de berekening van de waarde van een vakantie-uur, met dien verstande dat een referteperiode van drie jaar wordt gehanteerd.
Het werkgeversdeel pensioenpremie moet niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van de waarde van een vakantie-uur.
Recht op uitbetaling vakantie-uren
Partijen zijn het er over eens dat de werknemer in het kader van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst nog recht heeft op uitbetaling van 367,25 vakantie-uren. Partijen verschillen echter van mening welk bedrag daarmee gemoeid is.
Volgens de werknemer heeft hij recht op een bedrag van € 103,45 per vakantie-uur. De werkgever stelt dat de werknemer recht heeft op een bedrag van € 64,82 per uur per vakantie-uur, maar de werkgever heeft erkend dat de vakantietoeslag (8%) en de eindejaarsuitkering (10%) ook moeten worden meegenomen, opgeteld € 76,49.
Waarde vakantie-uur
Beoordeeld moet dus worden wat de waarde van een vakantie-uur is en met name of daarin de bonus en het werkgeversdeel pensioenpremie meegenomen moeten worden. Op dit punt spitst het geschil zich toe.
De kantonrechter oordeelt dat alleen de bonus moet worden betrokken. Hierdoor komt de waarde van een vakantie-uur op € 90,11 bruto.
Wat hoort tot het loon?
Een werknemer behoudt gedurende zijn vakantie recht op loon. Dit is bepaald in de Nederlandse wetgeving in artikel 7:639 BW, maar volgt ook uit artikel 7 van Richtlijn 2003/88 EG.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in een aantal uitspraken uitgelegd wat onder dat loon moet worden verstaan. Tot het gebruikelijk loon behoort het vaste salaris en alle looncomponenten die intrinsiek samenvallen met de taken en vergoedingen die de werknemer ontvangt uit hoofde van zijn professionele en persoonlijke status. Alleen zuivere onkostenvergoedingen vallen niet onder het vakantieloon.
Achtergrond hiervan is dat moet worden voorkomen dat een werknemer afziet van het opnemen van zijn jaarlijkse vakantie omdat hij daarvan financieel nadeel ondervindt.
Bonus onder loonbegrip?
De werknemer stelt dat hij gedurende zijn dienstverband elk jaar een bonus heeft ontvangen en dat deze bonus daarmee structureel is en onder het loonbegrip valt. De werkgever heeft daartegen ingebracht dat het toekennen van de bonus een discretionaire bevoegdheid is van de directeur van de werkgever en daarom geen vast onderdeel van het loon vormt.
De werkgever wijst er daarbij op dat de werknemer over 2022 en 2023 wel een bonus heeft ontvangen, maar over 2024 niet. Het toekennen van de bonus is volledig afhankelijk van de prestaties of inzet van de werknemer dan wel de bedrijfsresultaten en dat niemand binnen de werkgever elk jaar een bonus krijgt.
De kantonrechter oordeelt dat de bonus wel moet worden gezien als een onderdeel van het loon.
Bonus aan te merken als looncomponent
De toekenning van de bonus is volgens de werkgever afhankelijk van de inzet van de werknemer en de bedrijfsresultaten. Gezien de functie van de werknemer als Algemeen Directeur kan het bedrijfsresultaat niet geheel los worden gezien van de inspanningen van de werknemer. Dit betekent dat niet alleen de individuele prestaties maar ook de bedrijfsresultaten – indirect -bepalend zijn geweest voor toekenning van de bonus.
Daarmee kan de bonus worden aangemerkt als een looncomponent die intrinsiek samenvalt met de taken en vergoedingen die de werknemer ontvangt uit hoofde van zijn professionele en persoonlijke status. Het verweer dat de toekenning alleen een discretionaire bevoegdheid is doet daaraan onvoldoende af.
Daarbij is verder van belang dat de bonus over twee van de drie jaren dat het dienstverband heeft geduurd, is toegekend. Hieruit leidt de kantonrechter af dat het om een structureel loonbestanddeel gaat. Ook de passage in de vaststellingsovereenkomst (vso) waarin staat dat ‘de betaling van een eventuele bonus over 2024 moet worden geacht te zijn inbegrepen in de betaling van de transitievergoeding en de beëindigingsvergoeding’, wijst daarop.
Representatieve periode van drie jaar
Vervolgens moet worden beoordeeld aan de hand van welke representatieve periode de hoogte van de in aanmerking te nemen bonus wordt berekend. Anders dan de werknemer oordeelt de kantonrechter dat de uitgekeerde bonusbedragen over 2022 en 2023 (€ 35.000 en € 50.000) niet over twee jaar moeten worden berekend maar over drie jaar, omdat de hoogte van de bonus over 2024 niet valt vast te stellen en de werknemer vanaf eind juni 2024 was vrijgesteld van werk.
De kantonrechter berekent de waarde van de component ‘bonus’ op een bedrag van € 13,62 per vakantie-uur.
Werkgeversdeel pensioenpremie niet tot vakantieloon
Anders dan de werknemer oordeelt de kantonrechter dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie niet tot het vakantieloon behoort. Dit werkgeversdeel wordt rechtstreeks aan de pensioenverzekeraar overgemaakt en wordt niet ingehouden op het loon. Als de werknemer vakantie had opgenomen had hij geen recht gehad op betaling van deze vergoeding.
De werkgever heeft het werkgeversdeel afgedragen over het tijdvak dat de werknemer werkte in plaats van dat hij vakantie genoot. Door het niet uitbetalen van het werkgeversdeel over niet-genoten vakantiedagen, komt de werknemer dus niet in een slechtere positie te verkeren.
Hieruit vloeit voort dat het werkgeversdeel pensioenpremie niet als waarde bij de uitkering van niet-genoten vakantiedagen behoeft te worden betrokken. Dit deel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.
Vakantietoeslag en eindejaarsuitkering
De werkgever erkent dat de vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering tot het vakantieloon behoren. Dit leidt tot de conclusie dat de waarde van een vakantie-uur moet worden bepaald door de volgende componenten op te tellen: het brutosalaris van € 64,82, de vakantietoeslag van € 5,19, de bonus van € 13,62 en de eindejaarsuitkering van € 6,48, in totaal: € 90,11 per vakantie-uur.
Het aantal van 367,25 vakantie-uren met een waarde van € 90,11 correspondeert met een bedrag van € 33.092,90. Vaststaat dat de werkgever het bruto basissalaris over dat aantal uren al heeft uitgekeerd, namelijk een bedrag van € 23.805,15 (367,25 x € 64,82), zodat dit bedrag daarop in mindering strekt.
De werkgever heeft toegelicht dat hij naast het brutosalaris ook al de component vakantietoeslag heeft uitgekeerd en daartoe verwezen naar de eindafrekening waarop een ‘reservering vakantiegeld’ staat van € 1.904,41.
De werknemer heeft op de zitting het standpunt van de werkgever dat het vakantiegeld is betaald erkend en zijn vordering met dat bedrag verminderd. Dit bedrag moet dus ook van het bedrag van € 33.092,90 worden afgetrokken.
Per saldo resteert dus een aanspraak van € 7.383,34 bruto. Dit bedrag wijst de kantonrechter toe, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 februari 2025, de dag na de in de vso overeengekomen uiterste betaaldatum.
Wettelijke verhoging
Omdat in redelijkheid verschil van mening mogelijk was over de hoogte van de waarde van de niet-opgenomen vakantiedagen matigt de kantonrechter de wettelijke verhoging over de toegewezen component ‘bonus’ van € 5.001,95 tot 10%.
De wettelijke verhoging over de toegewezen component ‘eindejaarsuitkering’ van € 2.379,78 wordt gematigd tot 30%.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 8 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3678

