Het gemiddelde opleidingsniveau van de beroepsbevolking is hoog. Het aantal mensen dat deelneemt aan scholing is een van de hoogste van Europa.
De deelname aan Leven Lang Ontwikkelen (LLO) verschilt sterk tussen groepen mensen. De deelname is het hoogst onder jonge mensen met een hbo- of wo-diploma die bij een grote organisatie werken.
Er is ook een groot verschil tussen werkenden en niet-werkenden. Ruim de helft van de werkenden volgde cursussen in de periode 2004-2024. Onder niet-werkenden is dit ongeveer twee op de tien. Mensen die het meeste baat hebben bij scholing, participeren het minst.
De scholingsdeelname in Nederland is vooral kortdurend en gericht op de uitoefening van de huidige functie Scholing gericht op een overstap naar ander soort werk of een andere sector komt veel minder voor
De komende jaren zal een hogere deelname aan LLO noodzakelijk zijn om de economie en samenleving sterk en veerkrachtig te houden.
Werkgever investeert vooral binnen arbeidsrelatie
Werkgevers hebben een wettelijke scholingsplicht om ervoor te zorgen dat werknemers de noodzakelijke scholing volgen voor het uitoefenen van hun functie. Dat verklaart de hoge deelname aan kortdurende functiegerichte scholing en het feit dat vier op de vijf cursussen volledig door werkgevers is gefinancierd. Werkgevers zijn daarbij vooral gericht op (behoud van) de bestaande arbeidsrelatie. Dit betekent dat scholing minder bereikbaar is voor mensen zonder vast contract en dat omscholing naar een andere sector niet gemakkelijk van de grond komt.
Veel collectieve afspraken
Verreweg de meeste van de ongeveer 6 miljoen werkenden kunnen via hun cao investeren in hun eigen ontwikkeling via LLO-diensten. Op veel terreinen worden collectieve afspraken gemaakt over scholing en ontwikkeling. Sectorfondsen faciliteren dit.
Er zijn wel grote verschillen tussen sectorfondsen. Afspraken over scholing en ontwikkeling komen niet in alle sectoren en niet voor alle beroepsgroepen even goed van de grond. De sectorfondsen die scholing financieren doen dit voornamelijk voor korte trainingen en cursussen.
De meeste activiteiten van sectorfondsen zijn gericht op het aantrekken van nieuwe medewerkers en/of het verder ontwikkelen van medewerkers die al actief zijn in de sector. Scholing gericht op omscholing naar andere sectoren is slechts beperkt beschikbaar.
Leren en ontwikkelen is in het mkb minder vanzelfsprekend dan bij grotere bedrijven. Vaak hebben werkgevers in het mkb gebrek aan tijd, capaciteit, kennis of geld, om zich te richten op de toekomstbestendigheid van de onderneming en het op peil houden van de kennis en vaardigheden van hun werknemers. Dit wordt versterkt door de huidige krapte op de arbeidsmarkt.
Individuele belemmeringen voor LLO
Mensen ervaren op individueel niveau drempels of belemmeringen bij LLO:
- Financiële drempels. De kosten van cursussen, trainingen en opleidingen zijn voor het individu vaak hoog. Bovendien kunnen mensen door scholing soms tijdelijk minder werken, verdienen ze daardoor minder en haken dan af.
- Tijdgebrek. Een drukke baan of zorgtaken naast het werk maken dat er onvoldoende tijd over is om te leren buiten het werk.
- Gebrek aan overzicht. Mensen weten niet altijd waar ze moeten beginnen of welke keuzes er zijn. Daardoor starten ze veelal niet met leren.
- Gebrek aan motivatie. Dit komt door combinatie van factoren, zoals gebrek aan ondersteuning vanuit de directe omgeving, negatieve ervaringen met leren, of weinig zelfvertrouwen.
Drie doelen
Het beleid voor LLO is een gedeelde verantwoordelijkheid van de ministeries van SZW, OCW en EZ. De LLO-aanpak heeft drie doelen:
- Meer mensen volgen scholing.
- Meer bedrijven en organisaties investeren in informeel leren en een sterke leercultuur.
- Leren en ontwikkelen sluit beter aan op de behoeften van het bedrijfsleven en de regio.
Persoonlijke leerrekening
Het kabinet is gestart met een ambtelijke verkenning naar de mogelijkheden van een persoonlijke leerrekening. De leerrekening sluit aan bij de gedeelde verantwoordelijkheid van mensen zelf, werkgever en de overheid. De leerrekening maakt financiële mogelijkheden inzichtelijk, en draagt bij aan het creëren van overzicht. Juist deze brede inzetbaarheid en eigenaarschap maken een persoonlijke leerrekening tot een belangrijke bouwsteen in het LLO-beleid. Hiervoor zijn geen (aanvullende) middelen beschikbaar. Daarbij komen bij het vormgeven van een leerrekening veel (technische) keuzes kijken. Dit maakt het complex om op korte termijn te realiseren.

