Het gaat in deze zaak om een aanvraag om compensatie van de door de werkgever aan de werknemer betaalde transitievergoeding van € 72.131,20 (bruto) in verband met bedrijfsbeëindiging vanwege zijn pensionering per 1 oktober 2021. UWV stelt zich op het standpunt dat de wettelijke transitievergoeding € 55.868,64 (bruto) bedraagt en dat hij op grond van artikel 7:673e van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet meer dan dit bedrag mag compenseren.
Provisieregeling
De werknemer ontving een vast maandelijks brutoloon. Daarnaast is op 29 mei 2001 een provisieregeling overeengekomen. Deze provisieregeling hield in dat werknemer aanspraak op een provisie had als en voor zover per kalenderjaar aan honoraria een drempelbedrag werd gerealiseerd. De hoogte van de provisie bedroeg vervolgens 50% van de honoraria boven het drempelbedrag. In februari van elk jaar werd de definitieve provisie bepaald aan de hand van de in het voorafgaande kalenderjaar gerealiseerde honoraria, na aftrek van de niet-inbare vorderingen.
Na afloop van elk jaar provisie berekend
De provisie werd drie keer per jaar (in juni, augustus en november) bij wijze van voorschot aan werknemer betaald, waarna er in het begin van het daaropvolgende jaar aan de hand van een definitieve berekening zo nodig een correctie of verrekening plaatsvond als de bevoorschotting had geleid tot een te hoge uitkering aan provisie. In de praktijk werd steeds na afloop van elk kwartaal de provisie berekend en betaald en heeft er geen correctie of verrekening achteraf plaatsgevonden.
De arbeidsovereenkomst met de werknemer is in verband met bedrijfsbeëindiging vanwege de pensioenleeftijd van de werkgever met ingang van 1 oktober 2021 met een beëindigingsovereenkomst beëindigd.
‘Niet verschuldigd in 12 maanden voor einde arbeidscontract’
Volgens UWV is de provisie over het derde kwartaal van 2021 niet verschuldigd in de periode van twaalf maanden voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van werknemer per 1 oktober 2021, als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding en moet in plaats daarvan de in het derde kwartaal van 2020 betaalde provisie worden meegenomen voor de berekening van de voor compensatie in aanmerking komende transitievergoeding. De Centrale Raad van Beroep volgt UWV niet in dit standpunt.
Compensatie transitievergoeding
Op grond van artikel 7:673e, eerste lid, onderdeel b onder 1°, van het BW verstrekt UWV op verzoek van de werkgever, die op grond van artikel 7:673 van het BW een transitievergoeding moet betalen, een vergoeding aan de werkgever als de arbeidsovereenkomst is geëindigd in verband met het vervallen van arbeidsplaatsen door beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming en de werkgever de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.
Wat wordt verstaan onder loon?
In artikel 7:673, tweede lid, van het BW is bepaald dat de transitievergoeding voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd, gelijk is aan een derde van het maandloon en een evenredig deel daarvan voor een periode dat de arbeidsovereenkomst korter dan een jaar heeft geduurd.
In artikel 7:673, tiende lid, van het BW staat dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat voor de toepassing van lid 2 wordt verstaan onder loon. Dit is het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding.
Brutoloon verschuldigd in 12 maanden voor einde arbeidsovereenkomst
Artikel 2, derde lid, van het Besluit bepaalt dat als het loon geheel of deels bestaat uit provisie of afhankelijk is van de uitkomsten van verricht werk, onder loon ook wordt verstaan: het brutoloon verschuldigd in de twaalf maanden voorafgaand aan het eind van de arbeidsovereenkomst, voor zover dit bestond uit provisie of afhankelijk was van de uitkomsten van het verrichte werk, gedeeld door twaalf.
‘In’ of ‘over’ referteperiode
Partijen verschillen van mening wat de uitleg is van de bewoordingen van het derde lid. In de kern komt dit geschil erop neer of de berekening van de vergoeding moet worden berekend over wat is betaald ‘in’ de referteperiode of ‘over’ de referteperiode.
Recht op provisie ontstaan in referteperiode
De Raad concludeert dat de bewoordingen ‘verschuldigd in de twaalf maanden voorafgaand aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt’ in artikel 2, derde lid, van het Besluit zo moeten worden uitgelegd dat het gaat om het recht op provisie dat is ontstaan in de referteperiode en dat voor het verschuldigd zijn van provisie niet van belang is of de hoogte daarvan (al) bepaalbaar is.
Dit leidt tot het oordeel dat UWV niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit de provisie over het derde kwartaal van 2021 niet moet worden meegenomen bij de berekening van de transitievergoeding waarvoor de werkgever compensatie heeft aangevraagd.
UWV moet een nieuwe berekening van de transitievergoeding maken en de toekenning van compensatie daarop baseren.
Uitspraak Centrale Raad van Beroep, 24 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1011

