Op grond van het bepaalde in artikel 7:629 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een werknemer, recht op loondoorbetaling bij ziekte. De werknemer heeft dit recht niet, als hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten. (artikel 7:629 lid 3 sub d BW).
De werkgever kan het loon opschorten voor de tijd waarin de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijk voorschriften over het verstrekken van inlichtingen die de werkgever behoeft op het recht op loon vast te stellen (artikel 7:629 lid 6 BW).
Waarom loon stopgezet?
Het is de vraag om welke reden de werkgever de betaling van het loon heeft stopgezet. De werkgever heeft toegelicht dat hij de werknemer heeft uitgenodigd voor een gesprek op 16 januari 2025 om te bespreken wat partijen van elkaar kunnen verwachten de komende tijd tot 3 juli 2025.
Toen de werknemer niet bereid was om in gesprek te gaan, heeft de werkgever geen salaris (meer) betaald, omdat dit werkweigering was, aldus de werkgever.
Weigeren in gesprek te gaan geen reden voor loonstop
De wet omschrijft een beperkt aantal redenen op grond waarvan de werkgever gerechtigd is de loonbetaling stop te zetten, dan wel op te schorten. Het weigeren om in gesprek te gaan over de verwachtingen voor de komende periode is geen reden de betaling van het loon stop te zetten, dan wel op te schorten.
Ook als de werkgever met de uitnodiging tot een gesprek de bedoeling heeft gehad om redelijke voorschriften te geven om de werknemer passende arbeid te laten verrichten of het gesprek noodzakelijk achtte om inlichtingen te verkrijgen om het recht op loon vast te stellen, vormt dat geen grond om de loonbetaling stop te zetten, dan wel op te schorten. Dat zit als volgt.
Redelijk voorschrift
In artikel 7:629 lid 3 sub d BW wordt gesproken over een redelijk voorschrift. Wat een redelijk voorschrift is, is in de wet niet nader uitgewerkt. Gelet op de strekking van de bepaling moet ervan worden uitgegaan dat daarvan sprake is als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
- gegeven de aard van de arbeidsongeschiktheid en de stand van zaken in de re-integratie is het voorschrift gepast,
- aannemelijk is dat (het resultaat van) het voorschrift de re-integratie zal bevorderen en van de werknemer kan in redelijkheid worden gevergd dat hij het voorschrift opvolgt.
Bij een en ander komt gewicht toe aan wat de bedrijfsarts en/of arbeidsdeskundige of een andere in dat verband ingeschakelde deskundige heeft geadviseerd.
Geen verdere begeleiding bedrijfsarts
De werknemer is op 3 november 2024 bij een bedrijfsarts geweest en heeft gesproken over re-integratiemogelijkheden. Omdat het contract met de arbodienst door de werkgever is opgezegd en niet opnieuw is opgestart heeft de werknemer geen verdere begeleiding van een bedrijfsarts gehad.
Van de werkgever had mogen worden verwacht dat hij (opnieuw) een bedrijfsarts inschakelt, deze informeert over de situatie van de werknemer en de werknemer oproept voor een gesprek zodat de bedrijfsarts de mate van arbeidsongeschiktheid aan de actuele medische situatie kan toetsen. De werkgever heeft echter zich van 3 november 2024 tot nu toe geen enkele wijze ingespannen om de werknemer bij zijn re-integratie te begeleiden.
Ook niet nadat de werknemer de werkgever heeft verzocht om in contact te komen met een arbodienst om zijn re-integratiemogelijkheden te bespreken.
Geen redelijk voorschrift
De werkgever heeft in het deskundigenoordeel van het UWV van 16 april 2024 ook geen aanleiding gezien om een arbodienst in te schakelen. Onder deze omstandigheden kan het afdwingen van een gesprek, op straffe van een loonsanctie, niet als een redelijk voorschrift worden aangemerkt.
Tegen deze achtergrond is het aannemelijk dat de rechter in een bodemzaak tot hetzelfde oordeel zal komen, namelijk dat geen sprake is van een redelijk voorschrift en dat het onbetaald blijven van het salaris vanaf januari 2025 tot nu toe onterecht is. De loonvordering is toewijsbaar.
Loonvordering
Voor zover de werknemer stelt dat de werkgever zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt en om die reden moet worden veroordeeld tot betaling van 100% van het achterstallige loon (de primaire vordering) gaat de kantonrechter hier niet in mee. Daarvoor is van belang dat de werknemer inmiddels bijna twee jaar arbeidsongeschikt is. Gedurende het eerste jaar van zijn arbeidsongeschiktheid heeft hij recht op betaling van 100% van het overeengekomen salaris en in het tweede jaar 70% van het overeengekomen salaris. De wet, voorziet niet, bij het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen van de werkgever, in een loonsanctie, zoals gevorderd.
Toewijsbaar is een bedrag van € 2.064,02 bruto per maand voor de maanden januari en februari 2025 en de betaling van € 2.064,02 bruto per maand als toekomend salaris voor de onbetaald en opeisbaar geworden maanden na februari 2025. Ook de wettelijke verhoging wordt toegewezen.
Toewijzen loonspecificaties
De werknemer vordert afgifte van de juiste salarisspecificaties, omdat hij deze niet heeft ontvangen. De afgifte van de juiste salarisspecificaties is toewijsbaar.
Vakantiegeld
De werknemer vordert betaling van het onbetaald gebleven vakantiegeld voor de periode juni 2023 tot en met mei 2024. Ook deze vordering wordt toegewezen.
Aanmelden bij een arbodienst
Vaststaat dat de werknemer na november 2024 geen contact meer heeft gehad met de arbodienst. de werkgever is gehouden om onverkort de re-integratie verplichtingen die gelden voor een werkgever na te leven. De vordering van de werknemer zal dan ook worden toegewezen in die zin dat de werkgever de werknemer binnen 5 dagen na vonnis bij een arbodienst aanmeld, op straffe van een dwangsom, zoals gevorderd.
Uitspraak Rechtbank Oost-Brabant, 1 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2950

