In deze zaak vordert een arbeidsongeschikte werknemer doorbetaling van loon gedurende de tijd dat de werkgever een loonstop heeft doorgevoerd. De kantonrechter oordeelt dat de loonstop voor de periode 16 maart 2026 – 31 maart 2026 juist is toegepast. Gezien de beperkingen in haar inzetbaarheidsprofiel heeft werknemer haar herstel verstoord door het meermalen bezoeken van een bingo gedurende korte tijd.
Wat vordert de werknemer?
De werknemer is vanwege de loonstop van medio tot eind maart naar de kantonrechter gestapt. De loonstop is volgens haar ten onrechte ingesteld en in strijd met het goed werkgeverschap. De werkgever moet dus het loon betalen. Het loon over de maand april 2026 is wel betaald, maar te laat. Daarom is de werkgever ook de wettelijke verhoging over het loon verschuldigd, aldus de werknemer.
Wat stelt de werkgever?
De werkgever is van mening dat de vordering moet worden afgewezen. De loonstop is terecht. De werknemer heeft tweemaal in korte tijd een bingo bezocht waar sprake is van grote groepen mensen en een aanzienlijke geluidsbelasting, terwijl zij stelt niet te kunnen werken in een ruimte met veel of storend geluid. Zij belemmerde hiermee haar genezing en daarom heeft zij geen recht op loon over de periode 16 tot en met 31 maart 2026. Daarmee is de loonstop terecht opgelegd. Mocht de rechter oordelen dat het loon moet worden doorbetaald, dan vindt de werkgever dat de wettelijke verhoging moet worden gematigd tot nihil.
Wat oordeelt de kantonrechter?
Vast is komen te staan dat de werkgever de loonbetaling met ingang van april 2026 heeft hervat. Het gaat in deze zaak dus om de vraag of de werkgever de loonbetaling heeft mogen staken over de periode 16 tot en met 31 maart 2026. Volgens de kantonrechter mocht de werkgever dit doen.
De werknemer is sinds 25 maart 2025 arbeidsongeschikt. Een werknemer houdt bij arbeidsongeschiktheid recht op loon. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk. In dit geval beroept de werkgever zich erop dat de werknemer haar genezing belemmert of vertraagt en daarom geen recht heeft op loon.
De werknemer moet alles doen wat zijn genezing bevordert en nalaten wat daaraan in de weg kan staan. De kantonrechter vindt op grond hiervan dat de loonstop terecht is opgelegd.
Tweemaal bingoavond bezocht
De werknemer heeft in korte tijd twee maal achter elkaar, op 12 en 15 maart 2026 een bingoavond bezocht. Uit wat partijen naar voren hebben gebracht en op grond van het (korte) filmpje dat op de zitting is getoond, leidt de kantonrechter af dat, anders dan de werknemer suggereert, er op de bingoavonden sprake is van een rumoerige omgeving met geroezemoes en dat de getallen niet alleen worden getoond, maar ook omgeroepen. Ook is naar voren gekomen dat een bezoek aan een bingoavond een paar uur duurt.
Niet kunnen werken met veel mensen en geluid
De kantonrechter vindt het te ver gaan om de conclusie te trekken dat de werknemer helemaal nooit naar een bingoavond zou mogen gaan, maar de bewuste bezoeken hebben kort op elkaar plaatsgevonden. De werknemer is op 13 maart 2026 door de werkgever is gewaarschuwd voor een loonstop in verband met het inzetbaarheidsprofiel van 5 maart 2026. Daarin staat dat zij moeite heeft om te functioneren in een omgeving met veel mensen en dat zij niet kan werken in een omgeving met veel geluid.
Verstorend op herstel
Door vervolgens toch op 15 maart 2026 weer een bingoavond te bezoeken is de kantonrechter van oordeel dat de handelwijze van de werknemer verstorend werkt op het herstel en dat zij onvoldoende rekenschap geeft van haar verplichting om alles te doen wat haar genezing bevordert en na te laten wat daaraan in de weg kan staan. Dat het inzetbaarheidsprofiel later is aangepast maakt dit niet anders, de aanpassing betrof alleen het punt ‘eigen vervoer’, de beperkingen met betrekking tot het verblijven in een omgeving met veel mensen of storend of veel geluid, zijn ongewijzigd gebleven.
Wettelijke verhoging loon
De werknemer vordert ook de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon over de maand april 2026. Vaststaat dat het loon over april 2026 is betaald, maar te laat, pas op 14 mei 2026, terwijl 30 april 2026 als uiterste betaaldatum geldt.
De wettelijke verhoging is verschuldigd vanaf de derde werkdag na de dag dat het loon betaald had moeten zijn, in dit geval 5 mei 2026. De wettelijke verhoging over het salaris over de maand april 2026 is daarom toewijsbaar. De kantonrechter ziet geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen. De werkgever voert aan dat de vertraging is gelegen in de omstandigheid dat hij gedurende de vakantieperiode met zijn gemachtigde overleg moest voeren over het hervatten van de loonbetaling. Hierin ziet de kantonrechter echter onvoldoende grond tot matiging.
Geen wettelijke basis
De werknemer vraagt ook nog dat de kantonrechter beslist dat de werkgever eerst aan de bedrijfsarts advies vraagt voordat hij overgaat tot het geven van waarschuwingen of het opleggen van loonsancties. Hiervoor bestaat geen wettelijke basis zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 2 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6358

