Ook geen vergoeding van kosten Arbodienst, arbeidsdeskundigenonderzoek en re-integratietraject over de periode waarin de werkgever een re-integratieverplichting had.
Deze uitspraak gaat over het verzoek van de werkgever om schadevergoeding omdat het UWV te laat heeft beslist op een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb). Het UWV heeft een schadevergoeding aan verzoekster toegekend, maar zij is het niet eens met de hoogte daarvan. Zij verzoekt de rechtbank de (aanvullende) schadevergoeding vast te stellen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Het UWV heeft erkend dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) niet op tijd uit te voeren. Dat kan volgens het UWV ook aan hem worden toegerekend. Dat het UWV schadeplichtig is, staat dan ook niet ter discussie.
Het geschil tussen partijen gaat over de schadeperiode, de ZW-uitkering vermeerderd met de werkgeverslasten en de kosten van de loonadministratie, de Arbodienst, het arbeidsdeskundigenonderzoek, het re-integratietraject, het casemanagement en advies en de advocaat.
EZWb te laat uitgevoerd
De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het UWV de EZWb te laat heeft uitgevoerd en te laat heeft beslist over de beëindiging van de ZW-uitkering van de ex-werknemer onvoldoende is voor het oordeel dat daarmee onrechtmatig is gehandeld.
Vanaf 10 maart schadeplichtig
De rechtbank oordeelt dat het UWV er terecht van is uitgegaan dat hij vanaf 10 maart 2020 schadeplichtig is. Het UWV wist immers pas op 2 december 2019 dat de ex-werknemer vanaf 24 juli 2018 ziek was. Op dat moment waren al meer dan 52 weken verstreken sinds de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid. Daardoor was het voor het UWV onmogelijk om op tijd een EZWb uit te voeren. Maar het UWV had de EZWb wel eerder moeten verrichten dan hij heeft gedaan.
Redelijke termijn
Een EZWb is een ambtshalve beoordeling die geen wettelijke beslistermijn heeft. Daarom moet de beslissing binnen een redelijke termijn worden gegeven en die is in ieder geval verstreken als er binnen acht weken geen besluit is genomen.
Schadeplichtig
De rechtbank vindt het redelijk dat die termijn in dit geval niet direct na ontvangst van de ziekmelding aanvangt, maar dat het UWV eerst twee weken de tijd krijgt om die melding administratief te verwerken. Dat leidt ertoe dat het UWV uiterlijk op 9 februari 2020 een besluit had moeten nemen over de voortzetting van de ZW-uitkering van de ex-werknemer. In dat geval zou die uitkering per 10 maart 2020 zijn beëindigd. Dat heeft het UWV niet gedaan en dat is onrechtmatig tegenover de werkgever. Dit betekent dat het UWV vanaf 10 maart 2020 schadeplichtig is.
Geen aanvullende vergoeding
De rechtbank ziet geen aanleiding een aanvullende vergoeding aan de werkgever toe te kennen voor de ZW-uitkering, vermeerderd met de werkgeverslasten. Het UWV heeft namelijk al een vergoeding voor die kosten vanaf 10 maart 2020 toegekend.
Kosten loonadministratie
De werkgever verzoekt een vergoeding van de kosten van loonadministratie van € 291,23. Als het UWV op tijd aan haar had laten weten dat de ZW-uitkering van de ex-werknemer per 24 augustus 2019 zou eindigen, dan had zij vanaf september 2019 geen kosten meer voor de verwerking van die uitkering.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het normale aan de bedrijfsvoering verbonden kosten zijn. Die zijn inherent aan het voeren van een bedrijf en komen dan ook voor rekening van de werkgever.
De rechtbank wijst het verzoek af, omdat de werkgever haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. De werkgever heeft weliswaar gesteld dat zij haar loonadministratie heeft uitbesteed, maar zij heeft dat niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de kosten van de loonadministratie behoren tot de normale bedrijfsvoering. Om die reden komen de kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Kosten arbeidsdeskundigenonderzoek
De werkgever heeft een vergoeding van € 980 gevraagd. Het UWV heeft slechts de helft vergoed zonder dat te motiveren. In een ander schadeverzoek van de werkgever zijn wel de volledige kosten vergoed en daarom komt het resterende bedrag van € 490, volgens de werkgever ook voor vergoeding in aanmerking.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat vergoeding van de helft alleszins redelijk is. Het arbeidsdeskundig onderzoek is namelijk op 20 januari 2020 verricht en het rapport is op 3 februari 2020 gevolgd. Op dat moment had de werkgevers nog een re-integratieverplichting. Op 22 juni 2020 is het rapport aangevuld. Toen was er geen re-integratieverplichting meer.
De rechtbank ziet geen aanleiding een aanvullende vergoeding toe te kennen, want de kosten hebben deels betrekking op de periode waarin de werkgever nog een re-integratieverplichting had. Daarom is er geen recht op een volledige vergoeding van kosten.
Kosten re-integratietraject/spoor 2
De werkgever heeft een vergoeding van € 3.102 gevraagd. Het UWV heeft 75% vergoed. De werkgever wijst erop dat de opdracht dateert van 11 februari 2020 en dat is na de datum waarop het besluit over de EZWb uiterlijk had moeten worden genomen. Daarom is er volgens de werkgever geen reden om slechts 75% van de kosten te vergoeden, zodat zij een aanvullende vergoeding van € 775,50 vraagt.
Het UWV vindt dat de werkgever met een vergoeding van 75% zeker niet is benadeeld. De opdracht is op 11 februari 2020 gegeven en voor 10 maart 2020 hebben diverse activiteiten plaatsgevonden. Het UWV ziet geen aanleiding voor een volledige vergoeding, omdat een groot aantal activiteiten na 10 maart 2020 hebben plaatsgevonden.
Geen volledige vergoeding
De rechtbank is van oordeel dat de werkgever geen recht heeft op volledige vergoeding van haar kosten. Zij had immers een re-integratieverplichting tot 10 maart 2020 en een deel van de werkzaamheden heeft voor die tijd plaatsgevonden. de werkgever heeft de kosten van de werkzaamheden niet nader gespecificeerd en het is de rechtbank daardoor niet gebleken dat zij is benadeeld doordat het UWV 75% van de kosten heeft vergoed. Daarom kent de rechtbank geen aanvullende vergoeding toe.
Kosten Casemanagement en Advies en advocaatkosten
De rechtbank is van oordeel dat de kosten van Casemanagement en Advies niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat namelijk om werkzaamheden in verband met het voldoen aan re-integratieverplichtingen en die behoren, mits zij binnen bepaalde grenzen blijven, tot de reguliere bedrijfskosten. Dat de werkgever die werkzaamheden heeft uitbesteed, maakt dat niet anders.
Geen specialistische werkzaamheden
De werkgever heeft niet aannemelijk gemaakt dat het in haar situatie gaat om specialistische werkzaamheden die niet vergelijkbaar zijn met het reguliere casemanagement. Daardoor is de rechtbank niet gebleken dat het uitbesteden van die werkzaamheden noodzakelijk was. De werkgever heeft ook niet gesteld dat de werkzaamheden niet binnen bepaalde grenzen zijn gebleven.
De rechtbank kent ook geen vergoeding van de advocaatkosten toe. De werkgever heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten verband houden met de EZWb.
Uitspraak Rechtbank Oost-Brabant, 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5736

