De kantonrechter heeft in haar tussenbeschikking van 2 maart 2026 het voornemen geuit aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag te stellen: bouwt een arbeidsongeschikte werknemer – anders dan artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt – vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband?
Aanspraak op vakantie
In artikel 7:634 lid 1 BW staat het volgende:
“De werknemer verwerft over ieder jaar waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad, aanspraak op vakantie van ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week of, als de overeengekomen arbeidsduur in uren per jaar is uitgedrukt, van ten minste een overeenkomstige tijd.“
Slapend dienstverband en vakantiedagen
In de zaak die op 2 maart 2026 werd behandeld, speelde het volgende:
Tussen 27 juli 2025, toen de loondoorbetalingsverplichting van werkgever na twee jaar arbeidsongeschiktheid van de werkneemster eindigde, en 21 augustus 2025, is sprake geweest van een slapend dienstverband.
Een slapend dienstverband is de periode waarin het dienstverband nog niet is geëindigd, maar waarin de arbeidsongeschikte werknemer geen recht op loon en geen re-integratieverplichtingen meer heeft.
De werkneemster vraagt om uitbetaling van vakantiedagen die zij tijdens dit slapend dienstverband opgebouwd heeft.
Antwoord nodig
Een antwoord op de prejudiciële vraag is volgens de kantonrechter nodig om op het verzoek van werkneemster in deze zaak te beslissen. Daarnaast is een antwoord op deze vraag rechtstreeks van belang voor veel nog te verwachten zaken, die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en oorzaken.
In veel gevallen ontstaat namelijk aan het einde van de periode van twee jaar ziekte een slapend dienstverband, omdat de werkgever toestemming voor ontslag moet vragen aan het UWV en deze procedure enige tijd duurt, waarna de werkgever ook nog een opzegtermijn in acht moet nemen.
Deze problematiek speelt ook bij arbeidsrelaties waarin een slapend dienstverband langere tijd doorloopt omdat de werkgever niet tot beëindiging van het dienstverband overgaat (en de werknemer pas op een later moment een Xella-verzoek doet).
Meerdere procedures
Over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband zijn inmiddels meerdere procedures gevoerd. Een aantal van deze zaken is geëindigd in een schikking. In zes beschikkingen van kantonrechters is het tot (deels tegenstrijdige) uitspraken gekomen:
- Uitspraak kantonrechter Nijmegen 5 juni 2024
- Uitspraak kantonrechter Arnhem 12 augustus 2025
- Uitspraak kantonrechter Groningen 19 december 2025
- Uitspraak kantonrechter Dordrecht 5 februari 2026
- Uitspraak kantonrechter Utrecht 18 februari 2026
- Uitspraak kantonrechter Rotterdam 24 februari 2026
Ook de literatuur is verdeeld. Naar verwachting wordt over dit onderwerp nog veel vaker geprocedeerd, tot de Hoge Raad duidelijkheid geeft over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband. Bij de gerechtshoven zijn over dit onderwerp nog geen zaken aanhangig.
Prejudiciële vraag: svp antwoord
De kantonrechter stelt vast dat de werkgever en de werkneemster (de partijen in de tussenbeschikking van 2 maart 2026) geen bezwaar hebben tegen het stellen van een prejudiciële vraag en/of tegen de formulering van die vraag. De kantonrechter vraagt de Hoge Raad daarom deze prejudiciële vraag te beantwoorden.
Uitspraak Rechtbank Rotterdam, 17 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2603

