De arbeidsovereenkomst kent geen minimumaantal uren en de onderliggende bedoeling van deze arbeidsverhouding is de behoefte van de werkgever om zo nodig op korte termijn te beschikken over extra arbeidskrachten.
Waar gaat deze zaak over?
Partijen hebben een arbeidsovereenkomst (een oproepovereenkomst/nulurencontract) gesloten voor de duur van één jaar ingaande op 4 april 2025. Overeengekomen is dat de werknemer op afroep werkt in de functie van hostess op wisselende locaties en tijdstippen, afhankelijk van de aanwijzingen van de opdrachtgevers van de werkgever, tegen een loon van € 15 per uur exclusief 8% vakantietoeslag en compensatie vakantiedagen, uit te betalen elke vier weken.
Geen minimumaantal uren
In artikel 3.1 van de arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:
“Deze arbeidsovereenkomst kent geen minimumaantal uren per week en garandeert ook geen minimumaantal uren voor de duur van deze overeenkomst, daar het aantal uren dat de werknemer gaat werken volledig afhankelijk is van het al dan niet oproepen voor arbeid door de werkgever. Met deze overeenkomst hebben partijen een arbeidsverhouding op het oog, waarbij geen zekerheid bestaat over het al of niet werken en de omvang van die eventuele werkzaamheden. De werknemer is ermee bekend dat deze arbeidsverhouding zijn bestaansrecht vindt in de behoefte van de werkgever om zo nodig op korte termijn te beschikken over extra arbeidskracht.”
Gewerkt bij museum
In de periodes 5, 6 en 7 van 2025 heeft de werknemer via de werkgever 30 uur, 23,5 uur respectievelijk 25 uur gewerkt bij het toen pas geopende Fenix Museum Rotterdam (Fenix).
Op 29 mei 2025 heeft de werknemer niet gewerkt bij Fenix, terwijl zij wel ingepland was. Zij was die dag ziek, maar heeft zich niet afgemeld bij Fenix of de werkgever. De werknemer heeft hiervoor een waarschuwing gehad.
Meer loon bij museum
Op een bijeenkomst voor alle medewerkers van de werkgever op 16 juni 2025 heeft de werknemer aan de orde gesteld dat medewerkers in dienst bij Fenix meer loon verdienen dan medewerkers van de werkgever, en dat dit in strijd is met artikel 8 van de Wet allocatie arbeidskrachten voor intermediairs (Waadi).
Niet meer opgeroepen
Bij brief van 20 juni 2025 heeft de werkgever aan de werknemer meegedeeld dat vier diensten waarvoor zij vanaf 24 juni staat ingedeeld worden geannuleerd. Ook heeft de werkgever aan de werknemer meegedeeld dat zij voor de resterende looptijd van haar arbeidsovereenkomst vooralsnog niet meer wordt opgeroepen voor haar werkzaamheden, op grond van interne overwegingen, waaronder het incident op 29 mei 2025, waardoor het vertrouwen in de samenwerking onder druk is komen te staan. Benadrukt is dat het geen beëindiging van de arbeidsovereenkomst betreft, maar dat er geen verdere oproepen volgen, tenzij daartoe aanleiding bestaat.
Kritische opmerkingen
Bij brief van 24 juni 2025 heeft de werknemer kritische opmerkingen gemaakt over de beslissing en andere zaken bij de werkgever. Gevraagd is om de beslissing in heroverweging te nemen en haar weer op te roepen of anders de arbeidsovereenkomst te beëindigen, eventueel op basis van een vaststellingsovereenkomst.
Aanbod tot einde arbeidsovereenkomst
De werkgever heeft hierop gereageerd. Daarbij is de werknemer ook het aanbod gedaan om de arbeidsovereenkomst te beëindigen per 1 september 2025 onder betaling van het gemiddelde periodesalaris tot die datum, de transitievergoeding en een tekenbonus. De werknemer heeft dit aanbod niet aanvaard.
Beschikbaar voor verrichten werk
Bij brief van 15 juli 2025 heeft de gemachtigde van de werknemer aan de werkgever te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortduurt en dat de werknemer zich beschikbaar houdt voor het verrichten van werk. Aanspraak is gemaakt op betaling van achterstallig loon, uitgaande van de hoogte van het loon dat medewerkers van Fenix met dezelfde functie als de werknemer ontvangen, en de wettelijke verhoging en ook op doorbetaling van het loon van € 401,25 bruto per vier weken, gebaseerd op de gemiddelde arbeidsomvang, vermeerderd met de correcties op basis van de Waadi.
Verschil in salaris betaald
De werkgever heeft aan de medewerkers die bij Fenix werkzaam zijn bericht dat een salarisverschil bestaat met medewerkers van Fenix die hetzelfde werk verrichten, dat dit wordt hersteld, en dat het verschil in salaris wordt nabetaald.
Op 15 augustus 2025 is door de werkgever € 161,14 netto nabetaald aan de werknemer. De werkgever heeft hiervan een salarisspecificatie verstrekt.
Geen basis voor wedertewerkstelling
De werknemer stapt naar de rechter en eist wedertewerkstelling als oproepkracht en loonbetaling.
Er is geen basis om de werkgever te veroordelen om, zolang het dienstverband voortduurt, de werknemer ongehinderd tot haar werkzaamheden toe te laten voor de door haar gestelde overeengekomen arbeidsomvang van 26,75 uur per vier weken. De eis valt niet te rijmen met de tekst van de op schrift gestelde arbeidsovereenkomst tussen partijen. Het betreft een oproepovereenkomst als bedoeld in artikel 7:628a BW waarbij de omvang van de arbeid niet is vastgelegd.
Expliciet is vermeld dat de arbeidsovereenkomst geen minimumaantal uren kent en dat de onderliggende bedoeling van deze arbeidsverhouding is de behoefte van de werkgever om zo nodig op korte termijn te beschikken over extra arbeidskrachten.
Onvoldoende solide basis
Anders dan de werknemer meent, biedt het aantal uren dat zij in de praktijk gewerkt heeft in dit geval onvoldoende solide basis om in afwijking van wat in de arbeidsovereenkomst staat te kunnen concluderen dat de bedongen arbeidsomvang nu 26,75 uur per vier weken is.
De periode waarin de werknemer daadwerkelijk werkzaamheden uitgevoerd heeft totdat zij niet meer opgeroepen werd, heeft nog geen drie maanden geduurd, zodat deze periode weinig representatief is. Er is ook sprake geweest van wisselende urenomvang.
Niet meer nodig als flexibele schil
Daarnaast heeft de werkgever onderbouwd aangevoerd dat Fenix haar grootste opdrachtgever was en dat de vraag van Fenix naar medewerkers van de werkgever in de maanden juli, augustus en september is teruggelopen tot nihil in de maand oktober 2025. Dit omdat Fenix inmiddels eigen medewerkers heeft en de medewerkers van de werkgever niet meer nodig heeft als flexibele schil.
Kort na de opening van Fenix was dat anders, maar de bezoekersaantallen van het museum zijn inmiddels teruggelopen, aldus de werkgever. Gelet hierop bestaat twijfel of de werknemer opgeroepen zou zijn om werkzaam uit te voeren bij Fenix (of een andere opdrachtgever van de werkgever), in dezelfde urenomvang als tot haar laatste werkdag op 20 juni 2025, als de verstandhouding tussen partijen niet verstoord zou zijn geraakt.
Rechtsvermoeden arbeidsomvang
Naar het zich nu laat aanzien vindt het rechtsvermoeden van de arbeidsomvang als bedoeld in artikel 7:610b BW, waarop de werknemer zich beroept, hierin haar weerlegging. Anders dan de werknemer stelt, doet zich dus ook niet de situatie voor als bedoeld in artikel 7:628 lid 1 BW waarin werkgever verplicht is het loon te voldoen, want er is geen sprake van overeengekomen arbeid die de werknemer niet heeft verricht.
Geen grond voor veroordeling tot betaling loon
Bij voormelde stand van zaken is er volgens de kantonrechter geen grond om de werkgever te veroordelen tot betaling aan de werknemer van loon over de periode van 23 juni 2025 tot en met 17 augustus 2025 en ook niet voor de periode daarna tot aan het einde van het dienstverband.
Ook de eis om betaling van het verschil van het loon dat de werknemer is uitbetaald en het loon waar zij recht op had wordt afgewezen, omdat deze eis voorwaardelijk is gedaan en op dit moment niet bepaald kan worden of de werknemer nog recht heeft op nabetaling van loon.
Weliswaar heeft de werknemer gesteld dat haar bruto uurloon € 15 was en dat haar collega’s in dienst van Fenix een bruto uurloon van € 18,50 ontvingen, maar dat laatste is niet onderbouwd terwijl het gemotiveerd weersproken is door de werkgever. Daarbij komt dat de werkgever, naar eigen zeggen in verband hiermee ter voldoening aan artikel 8 Waadi, op 15 augustus 2025 € 161,14 netto heeft nabetaald aan de werknemer. Een en ander maakt dat de eis van de werknemer nu niet toewijsbaar is, omdat niet vaststaat of zij nog recht heeft op een deel loon.
Uitspraak Rechtbank Rotterdam, 30 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13240

