UWV heeft de werkgever een loonsanctie opgelegd omdat de werkgever vanaf 1 april 2019 bij werkneemster is uitgegaan van een onjuiste belastbaarheid van twee uur per dag. Verantwoordelijkheid werkgever voor de onjuiste adviezen van door hem ingeschakelde deskundigen/bedrijfsarts.
De Raad ziet geen aanleiding de ‘voor rekening en risico’ -benadering bij loonsancties, zoals die in de rechtspraak van de Raad tot nu toe is neergelegd, niet langer te volgen. De bedrijfsarts heeft de hem toekomende professionele marge niet overschreden en daarmee is geen sprake van een tekortkoming in het sociaal-medisch handelen van de bedrijfsarts. Loonsanctie is ten onrechte opgelegd.
‘Voor rekening en risico’-benadering
De Raad stelt voorop dat de in zijn rechtspraak neergelegde ‘voor rekening en risico’-benadering is gebaseerd op het door de wetgever in de wetsgeschiedenis verwoorde uitgangspunt dat de werkgever verantwoordelijk is en blijft voor de re-integratie en dat dit eveneens verantwoordelijkheid impliceert voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de door hem ingeschakelde deskundigen.
‘Vergewis’-plicht van de werkgever
In afwijking van deze rechtspraak bepleit de werkgever een ‘vergewis’-plicht van de werkgever, waarbij voor de toepassing van artikel 65 van de Wet WIA doorslaggevend zou zijn of een werkgever redenen had moeten hebben om te twijfelen aan het advies van zijn bedrijfsarts. Die benadering beperkt de verantwoordelijkheid van de werkgever noodzakelijkerwijs tot de vraag of het medisch advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Een werkgever beschikt immers niet over medische gegevens van zijn werknemers.
Advies bedrijfsarts leidend
Bij gebrek aan medische gegevens en deskundigheid kan een werkgever zich niet vergewissen van de juistheid of plausibiliteit van het inhoudelijk medisch oordeel van de bedrijfsarts. In de door de werkgever voorgestane benadering zal een werkgever, indien hij zich er eenmaal van heeft vergewist dat het advies van de bedrijfsarts op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, het medisch oordeel van de bedrijfsarts tot uitgangspunt mogen nemen bij de re-integratie van zijn werknemer.
Voor de toepassing van artikel 65 van de Wet WIA wordt daarmee het advies van de bedrijfsarts leidend. Dit geldt ook in gevallen waarin een bedrijfsarts – voor een werkgever niet kenbaar – sociaal medisch (evident) onjuist handelt of de belastbaarheid van een werknemer (evident) onjuist inschat en het om die reden niet tot een adequate re-integratie van de werknemer komt.
(Eind)verantwoordelijkheid werkgever
De Raad acht dit onverenigbaar met het uitgangspunt dat de re-integratieverplichting op grond van artikel 65 van de Wet WIA op de werkgever rust en de werkgever de volledige (eind)verantwoordelijkheid voor de re-integratie draagt.
De wetgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever met de bewoordingen ‘in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht’ in artikel 65 van de Wet WIA heeft beoogd de medisch-inhoudelijke aspecten van de re-integratie uit te sluiten van die verantwoordelijkheid. Dit blijkt ook uit het feit dat de wetgever, om het medisch advies van de bedrijfsarts bij de toepassing van artikel 65 van de Wet WIA leidend te maken, een wetsvoorstel tot wijziging van dat artikel nodig heeft geacht. Dit wetsvoorstel is door de Minister inmiddels weer ingetrokken.
Adequate re-integratie
De Raad acht hierbij ook van belang dat artikel 25 en artikel 65 van de Wet WIA beogen voor werknemers een adequate re-integratie te bewerkstelligen. In gevallen waarin de medische beoordeling door de bedrijfsarts inhoudelijk onjuist is en de re-integratie-inspanningen als gevolg daarvan onvoldoende zijn geweest, strekt een loonsanctie ertoe een adequate re-integratie – in het belang van de werknemer – alsnog te laten plaatsvinden.
De Raad onderkent ten slotte dat in gevallen waarin de re-integratie-inspanningen van een werkgever onvoldoende zijn en daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig is, bij het opleggen van de loonsanctie geen onderscheid wordt gemaakt tussen werkgevers die geen of evident onvoldoende re-integratie-inspanningen hebben verricht en werkgevers die daar wel betekenisvol invulling aan hebben proberen te geven.
Dit houdt naar het oordeel van de Raad echter niet zozeer verband met de in de rechtspraak neergelegde ‘voor rekening en risico’-benadering maar met de door de wetgever in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA neergelegde systematiek. Die systematiek voorziet niet in een loonsanctie ‘op maat’ maar leidt in alle gevallen tot een loonsanctie van (maximaal) 52 weken, waarbij de uiteindelijke duur van de loonsanctie afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever.
Gelet op het bovenstaande ziet de Raad geen aanleiding de ‘voor rekening en risico’-benadering bij loonsancties, zoals die in de rechtspraak van de Raad tot op heden is neergelegd, niet langer te volgen.
Toetsing re-integratieverslag door verzekeringsarts
De toetsing van het re-integratieverslag (RIV) door de verzekeringsarts is zowel gericht op het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts in de eerste twee ziektejaren van de werknemer als op het Actueel oordeel van de bedrijfsarts. De verzekeringsarts moet zich daarbij achteraf een oordeel vormen, waarbij de destijds aanwezige context in ogenschouw dient te worden genomen.
Zoals de Raad eerder heeft benadrukt, is deze zogeheten RIV-toets geen claimbeoordeling en moet de bedrijfsarts daarbij een professionele marge worden gegund.
In redelijkheid oordeel over belastbaarheid werknemer
Gelet op het feit dat artikel 65 van de Wet WIA spreekt over het ‘in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht’ en mede gelet op wat daarover in de Beleidsregels Beoordelingskader Poortwachter en Werkwijzer Poortwachter is vermeld, dient de verzekeringsarts van UWV te toetsen of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in redelijkheid tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen.
Sociaal-medisch anders gehandeld geen tekortkoming bedrijfsarts
Het enkele feit dat de verzekeringsarts – achteraf oordelend – in sociaal-medisch opzicht zelf anders zou hebben gehandeld of tot een afwijkende inschatting van de belastbaarheid komt, is in dit verband onvoldoende om te kunnen komen tot de conclusie dat de bedrijfsarts de hem toekomende professionele marge heeft overschreden en daarmee sprake is van een tekortkoming in het sociaal- medisch handelen van de bedrijfsarts.
Urenbeperking
In het geval van de werkgever is de Raad niet gebleken van een dergelijke terughoudende toets door de arts en verzekeringsarts bezwaar en beroep. Een kenbare motivering waarom de bedrijfsarts vanaf 1 april 2019 in redelijkheid niet tot de door hem voorgestane urenbeperking van twee uur per dag/ tien uur per week en overige beperkingen heeft kunnen komen, ontbreekt.
Volstaan is met de constatering dat een urenbeperking van vier uur per dag (20 uur per week) voldoende is en dat verdergaande beperkingen, zoals door de bedrijfsarts aangenomen, onvoldoende medisch te herleiden zijn.
Ernstige evenwichtsstoornissen en duizeligheid
Ook de UWV-arts en verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben in hun rapporten echter erkend dat de ernstige evenwichtsstoornissen en duizeligheid, zoals werkneemster die ervaart, in de medische literatuur als zeer vermoeiend worden beschreven, reden waarom ook zij een (zij het minder ver gaande) urenbeperking voor werkneemster hebben aangenomen.
Professionele bandbreedte
Uit het feit dat de medisch adviseur van de werkgever tot weer een andere urenbeperking concludeert en de verzekeringsarts bezwaar en beroep in bezwaar diverse aanvullende beperkingen, zoals gesteld door de medisch adviseur, heeft overgenomen, leidt de Raad af dat sprake is van een zekere professionele bandbreedte waar het betreft de uit de aandoening van werkneemster voortvloeiende beperkingen. Dat de inschatting van de belastbaarheid door de bedrijfsarts buiten die professionele bandbreedte valt, is door UWV niet kenbaar gemotiveerd en ook overigens niet gebleken.
Raad: ten onrechte loonsanctie opgelegd
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkgever in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Anders dan de rechtbank is de Raad daarom van oordeel dat UWV ten onrechte een loonsanctie heeft opgelegd aan de werkgever. Wat de werkgever voor het overige tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, behoeft daarom geen verdere bespreking.
Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
Uitspraak Centrale Raad van Beroep, 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216

