Een dga is enig aandeelhouder van twee BV’ ’s en bestuurder van een pensioenstichting. Een maand voor zijn emigratie in december 2009 draagt één van de BV ’s de pensioenverplichting tegenover de dga en zijn echtgenote van € 3.122.030,-over aan de pensioenstichting. De BV blijft een groot deel ( € 2.922.030,-) van de koopsom schuldig en legt de nader overeen te komen voorwaarden vast in een leningsovereenkomst. Uit de jaarrekening van de andere BV blijkt dat de vordering op de dga in 2009 met ruim € 5,2 miljoen is toegenomen.
Onzakelijke lening
In een zaak tussen de pensioenstichting en de inspecteur heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat de lening kwalificeert als een onzakelijke lening (ECLI:NL:GHAMS:2019:1500). Daarbij achtte het gerechtshof onder meer aannemelijk dat de BV bij het aangaan van de lening insolvabel was.
In 2019 legt de inspecteur de dga een navorderingsaanslag IB/PVV 2009 op waarbij de inspecteur een bedrag van € € 1.727.418,- dat de dga niet in zijn aangifte heeft opgenomen, aanmerkt als winstuitdeling. Daarnaast belast de inspecteur de pensioenaanspraak van € 3.122.130,- als loon uit vroegere dienstbetrekking. De dga maakt bezwaar en gaat in beroep tegen de winstuitdeling én de belastingheffing over de pensioenaanspraak.
De rechtbank Noord-Holland ziet zich voor de vraag gesteld of de dga de vereiste aangifte heeft gedaan omdat de dga de winstuitdeling niet in zijn IB-aangifte heeft verantwoord. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. De rechtbank geeft aan dat de inspecteur verplicht is bij het vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van de dga en is van oordeel dat hij terecht een winstuitdeling van € 1.727.418,- in aanmerking heeft genomen.
Geen terugbetalingsverplichting opgenomen
Uit de jaarrekening van de BV over 2009 is namelijk gebleken dat de BV in dat jaar een bedrag van € 5.277.418,- aan de dga heeft verstrekt. Die heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat sprake is geweest van een terugbetalingsverplichting ten aanzien van het door de inspecteur in de heffing betrokken bedrag van € 1.727.418,-. De stelling van de dga dat het geleende bedrag zou zijn aangewend voor beleggingen in privé omdat de BV zelf geen beleggingsrekening zou hebben kunnen openen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Een schriftelijke leningsovereenkomst ontbreekt en ook is niets gebleken van een terugbetalingsverplichting of van invorderingsmaatregelen.
Het leidt voor de rechtbank tot de conclusie dat in 2009 sprake is geweest van een vermogensverschuiving ter grootte van € 1.727.418,- van de BV naar de dga, waarbij de BV is verarmd en de dga is bevoordeeld. Vanwege het ontbreken van een terugbetalingsverplichting moet zowel de BV als de dga zich ervan bewust zijn geweest dat de dga door de geldverstrekking in zijn kwaliteit als aandeelhouder is bevoordeeld. Omdat de BV per ultimo 2009 over een eigen vermogen van ruim € 22 miljoen beschikt is het voor de rechtbank aannemelijk dat de vermogensverschuiving is gedekt door de in de vennootschap aanwezige winst(reserves).
Wederkerig schuldenaarschap
Vervolgens dient de rechtbank het geschilpunt met betrekking tot de pensioenaanspraak te beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat de inspecteur de pensioenaanspraak van de dga ten onrechte als loon uit een vroegere dienstbetrekking in de heffing heeft betrokken. De rechtbank overweegt dat In 2009 de pensioenverplichting van de BV tegenover de dga is overgedragen aan de pensioenstichting, waarbij de BV een zeer groot gedeelte van de koopsom schuldig is gebleven.
Het overdragen en door de BV (gedeeltelijk) schuldig blijven van de koopsom zijn geen handelingen die, op zichzelf bezien, ertoe kunnen leiden dat de pensioenaanspraak feitelijk voorwerp van zekerheid wordt. Er is immers geen sprake van wederkerig schuldenaarschap en de dga heeft zich niet garant gesteld voor de uit de lening voortvloeiende verplichtingen van de BV. Dat de dga ten tijde van de overdracht (mede)bestuurder was van zowel de BV als de pensioenstichting maakt dat niet anders.
Dekkingsgraad pensioenaanspraak niet verminderd
Verder is de dekkingsgraad van de pensioenaanspraak niet verminderd door de overdracht van de pensioenverplichting. De koopsom die gelijk was aan het nominale bedrag van de pensioenverplichting was immers reëel en is bij de overdracht gedeeltelijk voldaan. Voor het overige deel heeft de pensioenstichting een vordering op de BV verkregen, waarvoor het vermogen van de BV aanspreekbaar is. De waarde van dit vermogen en de dekking die dit bood voor de pensioenaanspraak is niet verminderd door de pensioenoverdracht.
De rechtbank is van oordeel dat de door partijen gevoerde discussie over de zakelijkheid van de lening en de solvabiliteit van de BV bij de pensioenoverdracht deze conclusie niet anders maakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat blijkens de overgelegde jaarrekeningen van de BV het eigen vermogen op 31 december 2010 € 674.051,- en op 31 december 2011 € 5.465.305,- bedroeg. Daarom is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 19b Wet LB 1964.
De rechtbank komt tot de conclusie dat, ook als ervan wordt uitgegaan dat de omkering en verzwaring van de bewijslast mede van toepassing is op deze gestelde inkomstenbron, er gelet op de toepasselijke wetgeving en de feiten van dit geval geen grond is om de pensioenaanspraak in 2009 in de heffing te betrekken. In zoverre is sprake van een gegrond beroep tegen de aanslag IB/PVV 2009.
Rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2026:1907

