Organisaties, met inbegrip van (decentrale) overheden, beoordelen zelf of een bepaalde functie op grond van wet- en regelgeving kan worden gedaan door een zelfstandige. Het is voor te stellen dat bepaalde werkzaamheden door een zelfstandige of een werknemer kunnen worden uitgevoerd. Dat is ook bevestigd door de Hoge Raad in antwoord op prejudiciële vragen in de Uber-zaak. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als bepaalde samenwerkingen anders worden ingericht afhankelijk van de arbeidsverhouding die tussen partijen tot stand komt. Zulke vacatures werken schijnzelfstandigheid dus niet noodzakelijkerwijs in de hand.
Risico op schijnzelfstandigheid
Als een organisatie een opdracht voor een zelfstandige en een werknemer op exact dezelfde wijze invult, vormt dat inderdaad een nadrukkelijk risico op schijnzelfstandigheid. Dat is echter op grond van een vacaturetekst niet te beoordelen. Het is daarom van belang dat de inhurende organisatie goed beoordeelt welke arbeidsverhouding tot stand komt, hoe die in de praktijk vorm krijgt en hoe die zich over tijd ontwikkelt om schijnzelfstandigheid te voorkomen.
Alert zijn op risico’s
De overheid moet zich, net als alle andere organisaties, aan de wet houden. Ook moeten alle overheidsorganisaties zich bewust zijn van het risico dat ze lopen als ze een zelfstandige inhuren voor vacatures waarvan het duidelijk is dat die niet door een zelfstandige kan worden uitgevoerd, of daar vraagtekens bij te plaatsen zijn.
In de eerstbedoelde situatie is het aan de overheidsorganisatie om deze werkende een arbeidsovereenkomst aan te bieden of de samenwerking te beëindigen.
In de laatstbedoelde situatie kunnen (overheids-)organisaties maatregelen nemen om schijnzelfstandigheid te voorkomen, bijvoorbeeld door de samenwerking anders vorm te geven of (vaker) te evalueren of er in de praktijk ook daadwerkelijk als zelfstandige wordt gewerkt.
Opheffing handhavingsmoratorium
De opheffing van het handhavingsmoratorium heeft overigens niet geleid tot een wijziging in de wet- en regelgeving ten aanzien van de kwalificatie van de arbeidsrelaties. Ook voor de opheffing van het handhavingsmoratorium moesten (overheids)organisaties zich aan wet- en regelgeving te houden.
Snelle afbouw schijnzelfstandigen
Het kabinet vindt het van groot belang dat de Rijksoverheid het goede voorbeeld geeft als het gaat om de aanpak van schijnzelfstandigheid en zorgt voor een snelle afbouw van het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen naar nul, uiterlijk per 1 januari 2026. Daarbij vindt het kabinet ook dat het onwenselijk is als overheidsorganisaties zzp’ers categorisch zouden uitsluiten van bepaalde opdrachten zonder dat daarvoor aanleiding is.
ZZP ja of nee
Om ook breder organisaties en werkenden bewust te maken van wanneer kan worden gewerkt met of als zelfstandige(n), en wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid, loopt sinds 24 november en tot 21 december het tweede deel van de publiekscampagne ‘ZZP ja of nee’. In deze campagne wordt ook handelingsperspectief geboden wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid.
Het kabinet ook aandacht voor wanneer wél als zelfstandige kan worden gewerkt. Vanuit het ministerie van SZW en de Belastingdienst is er aandacht voor de risico’s van schijnzelfstandigheid en ook voor wat wél kan als zelfstandige, om onnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers te voorkomen. Ook na 1 januari 2026 blijven het ministerie van SZW en de Belastingdienst voorlichting geven. Daarbij kunnen ook praktijkvoorbeelden worden toegevoegd aan hetjuistecontract.nl.
Flexpool
Decentrale overheden gaan zelf over hun personeels-, inhuur- en inkoopbeleid. Er wordt niet centraal bijgehouden in hoeverre gemeenten het risico op schijnzelfstandigheid op orde hebben. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) houdt dit niet bij. Het is dus aan gemeenten zelf om te beoordelen of flexpools een oplossing kunnen zijn voor de personeelsvraag waarvoor zij zich gesteld zien.
Van verschillende gemeenten is bekend dat zij met zo’n flexpool werken. De VNG heeft een ‘handreiking flexibele arbeidsinzet gemeentelijke sector’ op haar website geplaatst, waarin voor gemeenten de wetgeving en mogelijkheden op een rij zijn gezet. Het is aan gemeenten zelf om hier keuzes in te maken.
Handhaving schijnzelfstandigheid
Schijnzelfstandigheid komt in alle sectoren voor. Daarom handhaaft de Belastingdienst risicogericht. De Belastingdienst zal bij het toezicht gebruik maken van alle mogelijke signalen. Risico’s die daaruit voortvloeien, kan de Belastingdienst afhankelijk van de prioritering in behandeling nemen.
Ook de Rijksoverheid moet als opdrachtgever zelf actiever aan de slag gaan met de verdere beheersing van de processen rondom het werken met zelfstandigen. Daarom geeft de Belastingdienst in 2026 extra aandacht aan overheidsorganisaties: goed voorbeeld doet goed volgen. Dit is ook opgenomen in het handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 dat binnenkort online komt op de website van de Belastingdienst.
Aanpak langs drie lijnen
Alleen het verbeteren van de handhaving is overigens niet de oplossing van het probleem rondom schijnzelfstandigheid. Daarom heeft het kabinet gekozen voor een aanpak langs drie lijnen waarin naast het verbeteren van de handhaving (lijn 3), een gelijker speelveld tussen contractvormen (lijn 1) en meer duidelijkheid over de vraag wanneer wordt gewerkt als werknemer dan wel als zelfstandige (lijn 2) urgent zijn om stappen op te zetten.
Antwoorden Kamervragen over risico’s op schijnconstructies bij gemeenten via zzp-opdrachten

