In deze zaak verzoekt de werknemer (onder meer) om betaling van een transitievergoeding en achterstallig loon, nadat hij zelf ontslag op staande voet heeft genomen omdat de werkgever het loon niet tijdig en volledig heeft betaald. De kantonrechter wijst de verzoeken toe. De werkgever heeft aan de werknemer een dringende reden gegeven om ontslag op staande voet te nemen en de werkgever heeft geen verweer gevoerd.
Dringende reden
Een werknemer is bevoegd ontslag op staande voet te nemen als daarvoor een dringende reden is. Er moet sprake zijn van zodanige omstandigheden dat van de werknemer redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Eén van de in de wet genoemde redenen voor een werknemer om ontslag op staande voet te nemen is als de werkgever het loon niet voldoet op de daarvoor bepaalde tijd (artikel 7:679 lid 2 sub c BW).
Salaris elke 25e van de maand
In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de werkgever het salaris elke 25e van de lopende maand zal uitbetalen op de bankrekening van de werknemer. Onbetwist staat vast dat de werkgever niet aan deze verplichting heeft voldaan.
Loon niet op tijd en compleet betaald
Naar aanleiding van betaalverzoeken via WhatsApp en een sommatiebrief van 2 november 2024 heeft de werkgever op 4 november 2024 een deelbetaling van € 1.000 netto gedaan en toegezegd dat het tweede deel de volgende dag zou worden betaald. Deze toezegging is de werkgever niet nagekomen. Door het loon over oktober 2024 niet tijdig en volledig te betalen heeft de werkgever aan de werknemer een dringende reden gegeven om op 13 november 2024 ontslag op staande voet te nemen.
Ernstige verwijtbaarheid werkgever
De werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever Daarvan is sprake als de werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Het staat vast dat de werkgever het loon van de werknemer niet tijdig en volledig heeft betaald, ondanks diverse betaalverzoeken en betalingstoezeggingen. Daarmee heeft de werkgever een kernverplichting uit de arbeidsovereenkomst geschonden en dit is ernstig verwijtbaar. De verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.
Recht op transitievergoeding
De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd als de arbeidsovereenkomst door de werknemer is opgezegd als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Hiervoor is geoordeeld dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid van de werkgever zodat hij een transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd is.
De werkgever moet de transitievergoeding betalen van € 131 bruto. De wettelijke rente over de transitievergoeding is toewijsbaar, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 13 december 2024.
Loonvordering en vakantietoeslag
De werknemer vordert betaling van € 778,05 bruto voor loon over de periode van 1 tot en met 13 november 2024 en € 349,52 bruto voor vakantietoeslag over de periode van 1 september 2024 tot en met 13 november 2024. Deze vordering wordt als onbetwist toegewezen. Ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente is toewijsbaar. Vast staat immers dat het loon en de vakantietoeslag te laat zijn betaald. Omdat de werkgever geen verweer heeft gevoerd zijn er geen aanknopingspunten om de wettelijke verhoging te matigen.
Vergoeding voor niet genoten vakantiedagen
Verder stelt de werknemer dat hij over de periode dat het dienstverband heeft geduurd 29,2 vakantie uren heeft opgebouwd, die hij niet heeft opgenomen. Daarom vordert hij een vergoeding van deze vakantie uren op basis van € 13,81 bruto per uur, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, in totaal € 435,51 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 november 2024. Ook deze vordering wijst de kantonrechter toe.
Bruto/netto specificaties
De werkgever wordt veroordeeld tot het verstrekken van deugdelijke schriftelijke bruto/netto specificaties van de toe te wijzen bedragen. De werknemer heeft daar recht op en de vordering is niet betwist. De kantonrechter legt een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 5.000, ingaande 14 dagen na betekening van deze beschikking.
De proceskosten komen voor rekening van de werkgever, omdat de werkgever ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 1 mei 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6048
Zie ook:

