
Het woon-werkverkeer kwalificeert ook bij veel thuiswerken als privégebruik. Dat werknemers kunnen thuiswerken, wijzigt het karakter van de ritten niet die zij maken tussen hun woning en het kantoor van hun werkgever als zij niet thuis maar op kantoor werken. Dat oordeelt de Hoge Raad.
Is woon-werkverkeer van werknemers voor de omzetbelasting in de volgende casus als privégebruik aan te merken? Rekening houden met constant deel van de autokosten?
De werkgever heeft aan een deel van de werknemers een personenauto ter beschikking gesteld. Daarbij stond de werkgever toe dat de desbetreffende werknemer de personenauto mede voor privédoeleinden zou gebruiken. De werkgever heeft de beschikking over deze personenauto’s gekregen op basis van operational lease.
De werkgever stelt aan de werknemers verschillende technische middelen beschikbaar, zoals een mobiele telefoon, een laptop en een internetabonnement. Daarmee is het voor de werknemers mogelijk locatieonafhankelijk te werken. Zij hebben daardoor de mogelijkheid om thuis te werken.
Werkgever: niet als privégebruik aanmerken
In de bezwaarfase heeft de werkgever aangevoerd dat het woon-werkverkeer van de werknemers voor de heffing van omzetbelasting niet als privégebruik kan worden aangemerkt. Hij heeft daartoe betoogd dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 oktober 1997, Julius Fillibeck Söhne GmbH & Co. KG, C-258/95, ECLI:EU:C:1997:491 (het arrest Fillibeck).
Geen bijzondere omstandigheden voor zakelijk gebruik
Het Hof heeft geoordeeld dat ook in de situatie van de werknemers het woon-werkverkeer is aan te merken als privégebruik. Volgens het Hof doen zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voor, zoals bedoeld in het arrest Fillibeck, waarin het woon-werkverkeer wel als zakelijk gebruik is aan te merken. De omstandigheid dat de werknemers de mogelijkheid hebben om thuis te werken, is volgens het Hof niet een zodanige bijzondere omstandigheid.
Woonplaats is keuze werknemer
De mogelijkheid voor de werknemers om thuis te werken brengt geen wijziging in het karakter van de ritten tussen hun huis en kantoor. De woonplaats blijft een keuze van de werknemer. Ook blijft het een privéaangelegenheid van de werknemers om deze afstand te overbruggen indien zij de rit maken naar en van het kantoor van de werkgever, waar zij een groot deel van hun werkzaamheden verrichten, aldus het Hof.
Ook vaste uitgaven
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat tot de maatstaf van heffing voor het privégebruik niet alleen de variabele autokosten behoren maar ook de vaste uitgaven, voor zover die aan dat gebruik moeten worden toegerekend. Vanuit economisch oogpunt is het volgens het Hof niet realistisch de vaste uitgaven die aan een bedrijfsmiddel verbonden zijn, toe te rekenen aan slechts een deel van het gebruik daarvan.
Middel 1: woonadres wordt werkadres
Het eerste middel is gericht tegen de oordelen van het Hof over het karakter van het woon-werkverkeer van de werknemers. Het middel betoogt dat het woonadres van de werknemers, door de mogelijkheid daar te werken, ook een werkadres wordt. Het middel vergelijkt op grond daarvan het woon-werkverkeer van de werknemers met de ritten van werknemers tussen verschillende bedrijfsadressen, welke ritten in elk geval als zakelijk kunnen worden aangemerkt.
Normale versus bijzondere omstandigheden
Bij de beoordeling van dit middel wordt vooropgesteld dat het, gelet op het arrest Fillibeck, onder normale omstandigheden aan de werknemer is zijn woonplaats te kiezen. De werkgever blijft buiten die keuze. In normale omstandigheden dient daarom het door de werkgever aan een werknemer aangeboden vervoer tussen diens woon- en werkplaats privédoeleinden van die werknemer. Dat is alleen anders indien het wegens bijzondere omstandigheden, gelet op de behoeften van de onderneming van de werkgever, nodig is dat die werkgever voor dit vervoer zorg draagt. In zo’n bijzonder geval is het persoonlijke voordeel dat de werknemer door het vervoer geniet ondergeschikt aan de bedrijfsdoeleinden en is het daardoor als gebruik voor zakelijke doeleinden te beschouwen.
Geen wijziging in karakter ritten
Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat de omstandigheid dat werknemers een deel van hun werkzaamheden thuis kunnen uitoefenen, niet meebrengt dat deze uitzondering zich voordoet. De mogelijkheid voor werknemers om thuis te werken, brengt geen wijziging in het karakter van de ritten die zij maken tussen hun woning en het kantoor van hun werkgever indien zij niet thuis maar op kantoor werken. Dat hun huis op andere momenten een plaats is waar zij hun werkzaamheden uitoefenen, doet hieraan niet af. Die omstandigheid heeft niet tot gevolg dat de belangen van de onderneming van de werkgever eisen dat deze voor dit vervoer van de werknemers zorgt, zoals dat evenmin het geval is bij werknemers die al hun werkzaamheden op kantoor uitoefenen.
Het eerste middel faalt.
Het tweede middel is gericht tegen de oordelen van het Hof over de vaste autokosten. Het middel faalt eveneens, aangezien die oordelen juist zijn.
De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond.
Uitspraak Hoge Raad, 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1094

