Het is voor de meeste maatregelen in het wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2027 wenselijk dat ze per 1 januari 2027 in werking treden. Dit wetsvoorstel bevat de volgende maatregelen:
- wijziging van de inkomstenbelasting inzake de betaalbarekoopregeling;
- maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied;
- bewaarplicht opting-in;
- aanpassing afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk;
- aanpassing kwijtscheldingswinstvrijstelling;
- samenloop onderworpenheidstoetsen in de vennootschapsbelasting en Pijler 2;
- aanpassing groepsbegrip bij een kwalificerend lidmaatschapsrecht;
- aanpassing categorieaanduiding bestuurlijke boetes;
- herziening nultarief oorlogsschepen;
- aanpassing van de begripsbepalingen bestelauto en vrachtauto in de motorrijtuigenbelasting;
- aanpassing productie van hernieuwbare waterstof binnen de CO2-heffing industrie;
- wettelijke verankering voorzitterschap van de Waarderingskamer;
- wijzigingen in de Wet op de accijns (WA);
- technische wijzigingen delegatiegrondslag vermogenstoetsuitzonderingen voor toeslagen;
- herstel omissie matiging belasting- en invorderingsrente onderlinge overlegprocedures;
- delegatiebepaling in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR);
- vervroegen van de vrijstelling voor oldtimers in de motorrijtuigenbelasting; en
- gedeeltelijk vervallen van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017.
We lichten een aantal relevante onderdelen uit het wetsvoorstel toe.
Overschrijding uiterste pensioeningangsdatum
Op grond van de Wet LB 1964 moet een ouderdomspensioen uiterlijk ingaan vijf jaar nadat de werknemer de leeftijd bereikt die recht geeft op uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW-gerechtigde leeftijd). Als een ouderdomspensioen niet tijdig ingaat leidt dat tot fiscale gevolgen. Het ouderdomspensioen voldoet dan niet langer aan de in de fiscale wetgeving gestelde voorwaarden en wordt daardoor onzuiver.
Ministeriële regeling
Voorgesteld wordt daarom in de Wet LB 1964 op te nemen dat onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden de fiscale gevolgen achterwege blijven, op voorwaarde dat het pensioen dat ziet op de periode tussen enerzijds de wettelijke uiterste ingangsdatum of de in de pensioenregeling vastgestelde eerdere uiterste ingangsdatum en anderzijds de feitelijke ingangsdatum zo snel mogelijk alsnog wordt uitgekeerd waarover dan reguliere belastingheffing plaatsvindt.
Om discussie op dat punt te voorkomen, is ook in de voorgestelde wettekst opgenomen dat het betreffende deel van het pensioen geacht wordt eerst te zijn genoten op het tijdstip waarop het wordt uitgekeerd. Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden kan een pensioen dat later ingaat dan op de uiterste ingangsdatum voor het betreffende deel achteraf worden uitgekeerd zonder de fiscale consequenties.
Het doel van de voorgestelde maatregelen is om bestaande fiscale bepalingen inzake een onregelmatige afwikkeling van pensioenen in een specifieke situatie, waarbij sprake is van een onwenselijke belastingheffing, niet meer toe te passen en kleine technische verbeteringen in de fiscale wetgeving op lijfrentegebied aan te brengen.
Bewaarplicht opting-in
Voor de mogelijkheid om een arbeidsverhouding op verzoek als dienstbetrekking voor de loonbelasting te laten beschouwen, wordt ook wel de term ‘opting-in’ (en ‘pseudo-werknemer’) gebruikt.
Als voorwaarde om gebruik te kunnen maken van opting-in geldt dat degene die de arbeid verricht door middel van een gezamenlijke verklaring van hem en de beoogde inhoudingsplichtige (degene die de beloning betaalt) aan de inspecteur meldt dat de arbeidsverhouding als dienstbetrekking moet worden beschouwd. De Belastingdienst stelt een formulier ter beschikking dat kan worden gebruikt om de melding te doen.
Meldplicht wordt bewaarplicht
De verplichting om een gezamenlijke verklaring in te sturen om gebruik te kunnen maken van opting-in verhoogt de administratieve lasten voor zowel de pseudo-werknemer of de beoogde inhoudingsplichtige als de Belastingdienst die de inkomende verklaringen moet verwerken. Om deze administratieve lasten te verminderen wordt voorgesteld om de meldplicht om te zetten in een bewaarplicht.
De beoogde inhoudingsplichtige moet de gezamenlijke verklaring bij de loonadministratie te bewaren. Inzending naar de Belastingdienst is dan niet meer nodig.
Afschaffen eerstedagsmelding (EDM)
Uit gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat beschikkingen met de verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen in de praktijk niet (meer) worden opgelegd, omdat het inzetten van dit instrument vaak niet effectief blijkt.
Zesmaandenfictie
De zogenoemde zesmaandenfictie voor werknemers die niet zijn opgenomen in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige, is op dit moment een belangrijker toezichtsinstrument en een voldoende middel in het toezicht van de Belastingdienst.
De zesmaandenfictie houdt in dat als wordt geconstateerd dat een werknemer tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat, maar de werknemer niet in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige is opgenomen of niet aan de verplichting is voldaan voor hem een eerstedagsmelding te doen, hij geacht wordt al ten minste zes maanden loon uit dienstbetrekking te hebben genoten.
Aangezien de wettelijke regeling voor het doen van eerstedagsmeldingen haar praktische waarde heeft verloren, terwijl de Belastingdienst wel kosten maakt voor het operationeel houden van de infrastructuur die nodig is om eventuele meldingen te kunnen verwerken, wordt voorgesteld om de mogelijkheid tot het opleggen van de verplichting tot het doen van een eerstedagsmelding formeel te laten vervallen.
Aanpassing afdrachtvermindering S&O
De afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) wordt als volgt berekend:
((S&O-uren * S&O-uurloon) + (S&O-kosten en -uitgaven of forfaitair bedrag)) * percentage.
Het S&O-uurloon dat wordt gebruikt in bovenstaande formule, is een vast gemiddeld bedrag dat geldt voor alle werknemers van de S&O-inhoudingsplichtige die zich bezighouden met S&O-werk.
Het gemiddelde uurloon wordt gesteld op het uurloon dat de inhoudingsplichtige in het referentiejaar gemiddeld heeft betaald aan werknemers die in dat jaar S&O-werk hebben verricht waarvoor een S&O-verklaring is verstrekt.
Forfaitair uurloon
Als de inhoudingsplichtige in het referentiejaar geen S&O-werk heeft verricht waarvoor hij over een S&O-verklaring beschikt, geldt een gemiddeld uurloon van € 29 (forfaitair uurloon).
Het forfaitaire uurloon speelt dus een rol bij inhoudingsplichtigen die in de voorafgaande jaren geen S&O-werkzaamheden uitvoerden. Vanwege het ontbreken van historische gegevens dient in dat geval uitgegaan te worden van een forfaitair bedrag.
Het forfaitaire uurloon bedraagt al sinds 2008 € 29. Al jarenlang ontvangt de RVO geluiden (van bedrijven, intermediairs of andere stakeholders) dat het forfaitaire uurloon geen recht meer doet aan de werkelijke loonkosten van S&O-inhoudingsplichtigen. Met de hoge inflatie van de laatste jaren wordt dit verschil alsmaar groter.
Van € 29 naar € 33
Het kabinet stelt voor om het forfaitaire uurloon per 1 januari 2027 te verhogen van € 29 naar € 33. Uit de analyse van de RVO blijkt dat dit bedrag dicht op de mediaan ligt van het berekende S&O-uurloon en net onder het gemiddelde berekende S&O-uurloon.

