Werknemer vordert loondoorbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. Omdat 70% van het overeengekomen loon minder is dan het wettelijk minimumloon, heeft werkneemster op grond van artikel 7:629 lid 1 BW recht op het wettelijk minimumloon. Omdat werkgever het loon zonder deugdelijke reden te laat heeft betaald, moet hij over het achterstallig loon ook wettelijke verhoging (30%) en wettelijke rente betalen.
Recht op loondoorbetaling
Werkgever heeft ter zitting toegelicht dat het loon eerst niet is uitbetaald omdat het onrechtvaardig voelt dat werknemer zich ziek meldde twee dagen na verlenging van haar contract en op de dag voordat het nieuwe contract in ging. Inmiddels erkent werkgever dat werknemer recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte. Werkgever stelt dat het verschuldigde loon inmiddels aan werknemer is overgemaakt.
Salarisspecificaties
Ter zitting heeft werkgever salarisspecificaties overgelegd, waaruit blijkt dat in september, oktober en november 2025 de volgende (bruto) loonbedragen (dit komt neer op in totaal € 4.952,45 netto) zijn uitbetaald:
- september: € 1.425,60 + € 114,05 vakantietoeslag o.b.v. 99 verloonde uren;
- oktober: € 1.814,40 + € 145,15 vakantietoeslag o.b.v. 126 verloonde uren;
- november: € 1.555,20 + € 124,42 o.b.v. 108 verloonde uren.
De uren zijn uitbetaald tegen een basisuurloon van € 14,40 bruto.
Gevraagd naar de oorzaak van het verschil tussen deze bedragen, heeft werkgever een e-mail van zijn boekhouder getoond waaruit volgt dat dit komt doordat het aantal loondagen op basis van de standaardwerkdagen van werknemer per maand verschilt.
Vast maandloon
Bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid gelden daarnaast twee wachtdagen. De gemachtigde van werknemer heeft hiertegen bezwaar gemaakt en gesteld dat een vast maandloon moet worden uitbetaald omdat in de arbeidsovereenkomst een vast (bruto)maandloon is overeengekomen, ongeacht het aantal werkbare dagen, is overeengekomen.
Wettelijk minimumloon
Het is op zichzelf juist dat in de arbeidsovereenkomst een vast maandloon (ongeacht het aantal werkbare dagen) is afgesproken. In het geval van werknemer is 70% van dit maandloon (inclusief vakantietoeslag) echter minder dan het wettelijk minimumloon. Daarom moet, zoals werknemer zelf heeft betoogd, tijdens (de eerste 52 weken van) de arbeidsongeschiktheid niet 70% van het overeengekomen loon worden doorbetaald, maar het geldende wettelijk minimumloon.
Het wettelijk minimum uurloon bedraagt sinds 1 juli 2025 € 14,40 bruto exclusief vakantietoeslag en dat is blijkens de loonstroken ook het door werkgever gehanteerde uurloon.
Arbeidsduur
Sinds 2024 zijn er geen vaste minimum maand-, week- en daglonen meer, maar hangt het minimumloon per week of maand af van het aantal gewerkte uren (de arbeidsduur). De arbeidsduur kan elke maand anders zijn, doordat de ene maand meer werkdagen heeft dan de andere. Het aantal werkdagen per maand wordt daarmee dus – zoals de boekhouder ook heeft gedaan – bepaald door het rooster van de medewerker en de kalender.
De kantonrechter komt voorlopig tot het oordeel dat werkgever met de nabetaling op 4 december 2025 heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen voor de maanden september, oktober en november 2025 en dat werknemer daarvoor niets meer te vorderen heeft.
Aangezien het loon zonder deugdelijke reden (fors) te laat is betaald, wordt werkgever veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging gematigd tot 30% en wettelijke rente over het bruto-equivalent van de nettobetaling van € 4.952,45.
Aan betalingsverplichtingen voldoen
De gevorderde toekomstige loontermijnen zijn toewijsbaar vanaf het moment van opeisbaarheid en voor zover deze wettelijk verschuldigd zijn. Werkgever is op dit moment nog niet in gebreke met de betaling daarvan en de kantonrechter gaat er, gelet op de toezegging van werkgever ter zitting, vanuit dat werkgever vanaf nu vrijwillig aan zijn betalingsverplichtingen zal voldoen.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 12 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15955

