De werknemer is op 12 oktober 2024 in dienst getreden bij de werkgever. Op 23 november 2024 heeft de werknemer een fietsongeval gehad waarbij hij letsel heeft opgelopen aan zijn schouder. Sinds dit ongeval is de werknemer arbeidsongeschikt en heeft hij niet meer gewerkt voor de werkgever . Per 20 mei 2025 heeft de werkgever de loondoorbetaling aan de werknemer stopgezet. Op 12 oktober 2025 is er een einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen.
De belangrijkste vraag die in deze procedure moet worden beantwoord is of de werknemer nog recht heeft op loon over de periode na de loonstop.
De kantonrechter oordeelt tdat de werknemer geen recht heeft op betaling van zijn loon. Wel wordt de werkgever veroordeeld tot een aanvullende betaling van de transitievergoeding.
‘Loonstop onterecht’
De werknemer stelt zich in deze procedure op het standpunt dat de loonstop op grond van artikel 7:629 lid 3 BW ten onrechte is geweest. Het verwijt dat de werkgever de werknemer maakt, namelijk dat hij tot tweemaal toe zonder geldige reden niet op een afspraak bij de bedrijfsarts is verschenen, is niet juist.
De werknemer heeft aangevoerd dat de fysieke toestand van de werknemer het niet mogelijk maakte om met de trein naar Amsterdam af te reizen voor de afspraak met de bedrijfsarts. Dit werd volgens de werknemer onderstreept door zijn gespecialiseerde fysiotherapeut. Uitdrukkelijk is verzocht het onderzoek naar de arbeidsgeschiktheid door een in Utrecht gevestigde bedrijfsarts of via een online video het consult te laten plaatsvinden.
Loonstop terecht toegepast
De kantonrechter volgt dit standpunt van de werknemer niet en oordeelt dat de loonstop door de werkgever terecht is toegepast. Vooropgesteld wordt dat in artikel 7:629 lid 3 BW de situaties worden beschreven waarin een werkgever gerechtigd is de doorbetaling van het loon te stoppen.
Eén van de redenen die in dit artikel wordt genoemd is het ‘zonder deugdelijke grond weigeren mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 te verrichten’ (sub d).
Geen beletsel voor werknemer
Vast staat dat de bedrijfsarts al in de probleemanalyse van 1 april 2025 heeft geconcludeerd dat de werknemer zich met het openbaar vervoer kon verplaatsen. Voor een bezoek aan de bedrijfsarts in Amsterdam bestond dan ook, op basis van deze conclusie van de bedrijfsarts, geen beletsel voor de werknemer.
Oordeel bedrijfsarts leidend
Het is, zoals de werkgever de werknemer ook meerdere keren schriftelijk heeft medegedeeld, een bedrijfsarts die vaststelt of en in welke mate sprake is van arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Ook is de mate van belastbaarheid van een werknemer voorbehouden aan het oordeel van een bedrijfsarts.
In dit geval heeft de bedrijfsarts geoordeeld geen beletsel te zien in het reizen met het openbaar vervoer door de werknemer. Een verklaring van een fysiotherapeut maakt dit niet anders.
Deskundigenoordeel kunnen aanvragen
Als de werknemer het niet eens was met het oordeel van de bedrijfsarts op dit punt, had hij zich tot het UWV moeten wenden om hierover een deskundigenoordeel te vragen. Dat heeft de werknemer niet gedaan. De werknemer is meerdere keren op zijn verplichtingen gewezen en het voornemen het loon niet meer te betalen is door de werkgever meerdere keren aangekondigd.
Zonder reden niet meegewerkt aan redelijk voorschrift
Ter zitting is namens de werkgever toegelicht dat er vanwege de houding van de werknemer geen enkel vertrouwen meer was dat de werknemer alsnog wel zou gaan meewerken aan zijn re-integratie en aan de redelijke verzoeken van de werkgever zou gaan voldaan. Daarmee komt volgens de kantonrechter vast te staan dat de werknemer zonder deugdelijke grond niet mee heeft gewerkt aan een redelijk voorschrift en was de werkgever gerechtigd om de loonstop per 20 mei 2025 op te leggen.
Dit betekent dat de verzoeken van de werknemer tot betaling van zijn loon worden afgewezen.
Deel transitievergoeding nog betalen
De werknemer verzoekt om betaling van de transitievergoeding. Op 14 november 2025 heeft de werkgever de eindafrekening betaald aan de werknemer. Bij deze eindafrekening is een bedrag van €219,16 bruto betaald aan de werknemer aan transitievergoeding.
Bij de berekening van deze transitievergoeding, heeft de werkgever deze berekend tot het moment van de loonstop. Dat is niet juist.
Ook verschuldigd bij loonstop
Als een werkgever aan een werknemer een transitievergoeding moet betalen, is de werkgever deze ook verschuldigd over de periode dat er door de werkgever een (terechte) loonstop is toegepast. De werknemer heeft dan ook nog recht op de transitievergoeding over de periode van 21 mei 2025 tot 12 oktober 2025, het moment waarop het dienstverband eindigde.
Arbeidsomvang
Voor de bepaling van de hoogte van deze transitievergoeding is van belang wat de arbeidsomvang van de werknemer is geweest. Partijen verschillen van mening over de grootte van deze arbeidsomvang. Volgens de werknemer moet uitgegaan worden van 29,4 uur per week, terwijl er volgens de werkgever sprake is van een arbeidsomvang van 14,5 uur per week.
27,6 uur per week
De kantonrechter stelt de arbeidsomvang vast op 27,6 uur per week. Uit de in het geding gebrachte loonstroken volgt dat in de zes weken voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid op 23 november 2024 de werknemer gemiddeld 27,6 uur per week werkte.
€ 14,77 bruto uurloon
Over het uurloon van € 14,77 bruto bestaat tussen partijen geen verschil van mening. De werknemer heeft dan ook recht op een transitievergoeding berekend over de gehele duur van het dienstverband, uitgaande van een gemiddelde arbeidsomvang van 27,6 uur tegen een bruto uurloon van € 14,77. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag, waarbij het bedrag van € 219,16 dat al aan transitievergoeding is betaald in mindering moet worden gebracht.
Uitspraak Rechtbank Midden-Nederland, 13 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:560

