De bewindvoerder wil met deze procedure bereiken dat de werkgever het achterstallige (cumulatieve) salaris van de werknemer (onderbewindgestelde) over de periode 1 juli tot 1 november 2025 alsnog betaalt. Hierbij maakt zij ook aanspraak op de wettelijke rente, wettelijke verhoging, kosten en het verstrekken van salarisspecificaties, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De vorderingen worden toegewezen.
De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een spoedeisend belang bij de ingestelde vorderingen, omdat aanspraak wordt gemaakt op loon waarvan de onderbewindgestelde afhankelijk is om zijn kosten van bestaan, waaronder zijn huur, te betalen.
Waar gaat deze zaak over?
Vanaf 1 juli 2025 was de onderbewindgestelde werkzaam als bedrijfsleider op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, voor 40 uur per week tegen een laatst genoten salaris van € 2.400 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag.
Op die arbeidsovereenkomst is de cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf (de cao) van toepassing. Op grond van die cao meent de onderbewindgestelde recht te hebben op een hoger bruto maandsalaris.
Volgens de onderbewindgestelde moet zijn functie als bedrijfsleider, die niet in de cao staat omschreven, worden gelijkgesteld met de in de cao beschreven functie van ‘bedrijfsbeheerder I’ en het daarbij passende salaris (functiegroep 4). Verdisconteerd naar een dienstverband van 40 uur, bedraagt het bruto maandsalaris volgens de onderbewindgestelde € 2.528,93.
Omdat de werkgever al wel enige salarisbetalingen aan de onderbewindgestelde heeft gedaan, vordert de bewindvoerder namens de onderbewindgestelde in deze procedure betaling van het verschil: € 10.115,72 bruto (4 maanden x € 2.528,93) minus € 2.740 netto aan al uitbetaald salaris. Dit wordt toegewezen.
Functie bedrijfsbeheerder I
Onweersproken is dat de functie van bedrijfsleider moet worden gelijkgesteld met de functie van ‘bedrijfsbeheerder I’ uit de cao, waarbij het gaat om de functie met de laagste niveau-onderscheidende kenmerken.
Verder blijkt uit de cao, wat ook niet door de werkgever weersproken is, dat de functie bedrijfsbeheerder I is ingeschaald in functiegroep 4 en dat daarbij – verdisconteerd naar 40 uur per week – een bruto maandsalaris van € 2.528,93 hoort.
Dit leidt er toe dat in de periode 1 juli tot 1 november 2025 een deel van het salaris van de onderbewindgestelde niet door de werkgever is uitbetaald en dat alsnog recht bestaat op dat bedrag.
Nu de door de onderbewindgestelde genoemde bedragen niet door de werkgever zijn betwist, gaat de kantonrechter uit van een nog uit te betalen salaris van € 10.115,72 bruto minus € 2.740,- netto aan reeds uitbetaald salaris.
Vakantietoeslag
De onderbewindgestelde heeft, nu sprake is van achterstallig salaris over de periode 1 juli tot 1 november 2025, eveneens recht op 8% vakantietoeslag over dat salaris. De bewindvoerder heeft namens de onderbewindgestelde in totaal € 809,26 bruto aan vakantietoeslag gevorderd. Nu dit bedrag niet door de werkgever is weersproken, kent de kantonrechter dit ook toe.
Vakantie-uren
De bewindvoerder heeft verder nog de uitbetaling van de opgebouwde vakantie-uren van in totaal 66,67 uren gevorderd. Volgens de onderbewindgestelde heeft hij in de periode 1 juli tot 1 november 2025 geen vakantiedagen genoten en zijn die tot nu toe ook niet door de werkgever uitbetaald. Het gaat in totaal om een bedrag van € 972,72. De werkgever heeft het aantal vakantie-uren en de daarbij horende hoogte niet betwist. Deze worden daarom ook toegekend.
Correcte salarisspecificaties
De werkgever wordt ook veroordeeld tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties van het salaris van de onderbewindgestelde over de periode 1 november 2022 tot 1 november 2025, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 75,00 voor elke dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt.
Onweersproken is namelijk dat de onderbewindgestelde vanaf zijn indiensttreding op 1 november 2022 geen correcte salarisspecificaties heeft ontvangen, terwijl hij daar wel recht op heeft.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om de eveneens onweersproken gevorderde wettelijke verhoging van 50% over het achterstallig salaris, achterstallige vakantietoeslag en vakantie-uren te matigen. Deze vordering zal ook worden toegewezen. De door de onderbewindgestelde gevorderde wettelijke rente over de bovenstaande vorderingen wijst de kantonrechter ook toe.
Uitspraak Rechtbank Midden-Nederland, 22 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6837

