De Eerste Kamer behandelt plenair het Belastingplan 2026 op maandag 15 en dinsdag 16 december en stemt dinsdagavond (onder voorbehoud) over het Belastingplan.
Pseudo-eindheffing
Op welke wijze worden bedrijven extra geraakt worden in de bedrijfsvoering als de maatregel ook gaat gelden voor personenauto’s in voertuigclassificatie M1 voor zakelijk gebruik?
De vraag wordt gesteld naar aanleiding van een passage in de nota naar aanleiding van het verslag waarin het kabinet toelicht waarom de pseudo-eindheffing alleen gaat gelden als de personenauto voor privédoeleinden wordt gebruikt.
Secundaire arbeidsvoorwaarde
Het kabinet wil de pseudo-eindheffing niet opleggen als een werknemer een fossiele personenauto ter beschikking gesteld krijgt door de werkgever als deze terbeschikkingstelling alleen beoogt om de organisatie goed te laten functioneren.
Het ook voor privédoeleinden ter beschikking stellen is een keuze die niet omwille van de bedrijfsvoering wordt gemaakt, maar dient als secundaire arbeidsvoorwaarde.
Privékilometers niet met fossiele leaseauto
Het doel van de pseudo-eindheffing is dan ook om te stimuleren dat privékilometers (waar woon-werkkilometers ook toe behoren) niet met een ter beschikking gestelde fossiele personenauto worden gereden. Daarom wordt onderscheid gemaakt tussen fossiele personenauto’s die alleen zakelijk worden gebruikt en fossiele personenauto’s die ook voor privédoeleinden (inclusief woon-werkverkeer) wordt gebruikt.
Tariefkorting elektrische personenauto’s
Waarom vervalt de tariefkorting in de motorrijtuigenbelasting voor emissievrije personenauto’s met ingang van 2030?
Het kabinet heeft in het Belastingplan 2026 voorgesteld de tariefkorting voor emissievrije personenauto’s in de motorrijtuigenbelasting tijdelijk te verhogen van 25% naar 30%. Na 2029 loopt de tariefkorting af. De inrichting van de autobelastingen op de middellange termijn vraagt om een fundamentelere aanpak op stelselniveau.
Hervorming autobelastingen
Het kabinet heeft vóór het zomerreces een contourenbrief over de hervorming van de autobelastingen naar uw Kamer gestuurd. In deze brief zet het kabinet verschillende denkrichtingen uiteen, waaronder de omvorming van de grondslag in de motorrijtuigenbelasting van gewicht naar voertuigoppervlakte. Op deze manier wordt een elektrische auto in de toekomst niet meer zwaarder belast dan een vergelijkbare fossiele personenauto.
Structurele oplossing
Met de looptijd tot 2029 geeft deze maatregel daarnaast voldoende tijd en ruimte om tot een structurele oplossing te komen voor een aantal vraagstukken die samenhangen met de autobelastingen en die zijn beschreven in de contourenbrief van 11 juli 2025. Jaarlijks wordt de ingroei van elektrische personenauto’s gevolgd en kan worden bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn.
Versobering youngtimerregeling
Wat is de cijfermatige onderbouwing van de geraamde opbrengsten van € 54 miljoen structureel voor de versobering van de youngtimerregeling?
De youngtimerregeling wordt vooral gebruikt door directeur-grootaandeelhouders (dga’s) en IB-ondernemers.
De cijfers die gebruikt zijn voor de raming zijn afkomstig uit aangiften voor de inkomstenbelasting (IB) en uit statistieken van het CBS.
IB-ondernemers en dga’s
Uit de IB-aangiftes blijkt dat er circa 28.000 IB-ondernemers zijn die gebruikmaken van de youngtimerregeling. Het aantal dga’s met een youngtimer is ingeschat op basis van CBS-data, dit aantal is geschat op circa 65.000. Niet al deze youngtimers worden geraakt door de versobering, dit raakt alleen de youngtimers tot 25 jaar oud.
Het aantal dat in totaal geraakt wordt door de maatregel wordt geraamd op circa 80.000 (25.000 IB-ondernemers en 55.000 dga’s). Dit is veel lager dan het aantal van Stichting Autobelangen, zijnde 228.000.
Het verschil zit met name in inschatting die de Stichting Autobelangen maakt voor het aantal IB-ondernemers met een youngtimer, namelijk circa 200.000. Hoe de Stichting Autobelangen dit aantal heeft ingeschat is onduidelijk.
Uit de aangiften blijkt dat voor IB-ondernemers voor een auto van 13 à 14 jaar oud in de bijtelling de cataloguswaarde gemiddeld circa € 30.000 euro is. De waarde in het economisch verkeer van auto’s van 15 à 16 jaar oud in de bijtelling ligt voor IB-ondernemers gemiddeld rond de € 5.000.
Voor werknemers met een auto van de zaak is deze informatie niet beschikbaar. Aangenomen wordt dat werknemers met een auto van de zaak van die leeftijd vergelijkbare auto’s met dezelfde gemiddelde waardes hebben.
De Stichting Autobelangen gaat uit van een gemiddelde catalogusprijs van € 78.168 en een waarde economisch verkeer van € 11.725. Hierbij gaan ze uit van de stijging van de catalogusprijs van auto’s van 15 jaar oud in de afgelopen 16 jaar en hebben dit afgezet tegen een eerdere berekening die ze in 2009 gemaakt hebben.
In die eerdere berekening was de gemiddelde catalogusprijs gebaseerd op opgegeven kentekens van eigenaren van youngtimers gecombineerd met een bestand van 7.000 voertuigen die naar waarschijnlijkheid onder de doelgroep van de youngtimers vielen.
De cijfers van de Stichting zijn daarmee gebaseerd op een steekproef. De verhouding tussen de catalogusprijs en de waarde economisch verkeer is vergelijkbaar tussen de cijfers van de Stichting Autobelangen en de cijfers uit de IB-aangiften.
Een IB-ondernemer heeft gemiddeld een marginaal tarief van circa 34%, voor een werknemer met een auto van de zaak is dit circa 49,5%. Gemiddeld komt het marginale tarief daarmee uit op 44,5%. De Stichting Autobelangen gaat uit van 38%.
Conclusie is dat de cijfers van de Stichting Autobelangen niet overeen komen met de feitelijke cijfers zoals die volgen uit de IB-aangiftes en CBS-data. De Stichting Autobelangen schat de lastenverzwaring daarmee veel te hoog in op € 1.135 miljoen.
Een vergelijkbare berekening met die van de Stichting Autobelangen is 80.000 * ((€ 30.000 * 0,22) – (€ 5.000 * 0,35)) * 0,445 = € 173 miljoen.
In tabel 1 zijn de verschillende cijfers in een tabel samengevat weergegeven.

Groot gedragseffect
Voor het budgettaire effect van de maatregel wordt ook rekening gehouden met gedragseffecten. In de raming wordt uitgegaan van een groot gedragseffect: men kan er namelijk op verschillende manieren voor zorgen dat de (hogere) bijtelling achterwege kan blijven.
Dga’s en IB-ondernemers kunnen kiezen om de auto niet voor privédoeleinden (of niet meer dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis) te gebruiken. In dat geval kan de auto eigendom van de bv/onderneming blijven en is geen bijtelling verschuldigd.
Dga’s die nu een youngtimer hebben kunnen ervoor kiezen deze auto (ook privé) te blijven rijden, maar over te dragen naar hun privévermogen tegen een zakelijke prijs.
De IB-ondernemer kan de auto uit het ondernemingsvermogen onttrekken.
Dga’s en IB-ondernemers kunnen er ook voor kiezen een andere auto aan te schaffen, bijvoorbeeld een nieuwe (fossiele of elektrische) auto of een auto van meer dan 25 jaar oud die onder de youngtimerregeling blijft vallen.
Geen bijtelling meer verschuldigd
In de raming wordt verondersteld dat circa 2/3e van de huidige gebruikers van de regeling op een van hiervoor genoemde manieren ervoor zorgt dat over de auto geen bijtelling meer verschuldigd is. De rest houdt de auto in de bijtelling en gaat hier een (meestal) hogere bijtelling voor betalen. De uiteindelijke opbrengst wordt, rekening houdende met dit gedragseffect, daarmee ingeschat op € 54 miljoen.
De opbrengst van de versobering van de youngtimerregeling is daarmee ook niet veel impactvoller en groter dan nodig zou zijn ter dekking om de EV-bijtellingskorting meer geleidelijk dan in het kabinetsvoorstel af te bouwen.
Aangenomen amendement
De aanpassing van de youngtimerregeling volgt uit een amendement van de leden Grinwis en Oosterhuis dat de Tweede Kamer bij de stemmingen over het Belastingplan 2026 heeft aangenomen. Of er voorafgaand aan de indiening van dit amendement overleg met de branche heeft plaatsgevonden, is niet bekend bij het kabinet en behoorde tot de verantwoordelijkheid van de indieners van het amendement.
Het amendement is niet volledig gedekt: binnen de inkomstenkaderperiode resteert een cumulatief tekort van € 41 miljoen. Het kabinet moet zich tijdens de voorjaarsbesluitvorming buigen over de budgettaire gevolgen.
Het kabinet heeft er niet voor gekozen om de youngtimerregeling aan te passen en heeft dan ook geen invloed gehad op de vormgeving van de stapsgewijze leeftijdsverhoging.
Geen overgangsrecht
De indieners van het amendement geven aan dat deze stapsgewijze verhoging de ruimte geeft aan gebruikers van youngtimers om het komende jaar te anticiperen op de wijziging in de bijtelling. Verder wordt niet voorzien in overgangsrecht. Dit betekent dat voor auto’s die in de loop van volgend jaar 16 jaar oud worden, er een korte anticipatietermijn van toepassing is.
Impact aanpassing onbekend
Het kabinet heeft geen zicht op de impact van de aanpassing in de youngtimerregeling op de markt van tweedehandsauto’s en bedrijven die zich hebben gespecialiseerd in youngtimers. Hoewel het kabinet dit amendement heeft ontraden, heeft een meerderheid in de Tweede Kamer ingestemd met het amendement.
Het ligt niet in de rede om, in afwijking van een net door de Tweede Kamer aangenomen amendement, een variant op het aangenomen amendement toe te zeggen aan de Eerste Kamer. De Tweede Kamer heeft gekozen het amendement aan te nemen. Het kabinet heeft andere varianten daarom ook niet overwogen.
1 Tweede NnavV Belastingplan 2026

