
De bonden en de werkgever sluiten al meerdere jaren een bedrijfs-cao af. In mei 2022 is tussen partijen onderhandeld over een nieuwe bedrijfs-cao, wat heeft geleid tot een onderhandelingsresultaat op 31 mei 2022. Het betrof een cao met een looptijd van 24 maanden van 1 juli 2022 tot 1 juli 2024. De bonden hebben het resultaat voorgelegd aan de leden, die in juni 2022 met het resultaat hebben ingestemd.
Artikel 26 van de bedrijfs-cao de werkgever 1 juli 2022 – 1 juli 2024 (de cao) luidt:
“In geval van buitengewone ingrijpende veranderingen in de algemene sociaal-economische verhoudingen in Nederland, zijn partijen gerechtigd tijdens de duur van deze cao wijzigingen daarvan aan de orde te stellen, die met deze veranderingen in direct verband staan. Partijen zijn in dat geval verplicht aan de orde gebrachte voorstellen in behandeling te nemen.
Indien binnen twee maanden nadat deze voorstellen door een van partijen zijn ingediend geen overeenstemming is bereikt, is de partij die de voorstellen heeft ingediend gerechtigd de overeenkomst, met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand, op te zeggen.”
Onverwacht forse stijging inflatie
In oktober 2022 hebben de bonden bij de werkgever aandacht gevraagd voor de onverwacht forse stijging van de inflatie en (mondeling) een beroep gedaan op artikel 26 van de cao.
Toezeggingen werkgever
De werkgever heeft op 28 november 2022 aan de bonden toegezegd aan de werknemers een eenmalige uitkering van € 500 toe te kennen, te betalen in januari 2023. Ook is toegezegd eenmalig de winstuitkering te verhogen naar minimaal € 500. Dit bedrag is in februari 2023 uitbetaald.
De werkgever heeft verder aangeboden om werknemers, die dat willen, maatwerk te leveren door bijvoorbeeld de eindejaarsuitkering en/of vakantiegeld eerder in termijnen uit te betalen.
Bonden willen salarissen met terugwerkende kracht verhogen
De bonden hebben bij brief van 21 februari 2023 aan de werkgever geschreven dat zij formeel een voorstel doen in het kader van artikel 26 CAO om de salarissen (tussentijds) met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023 te verhogen met 5%, waarbij de loonstijging van 3,7% per 1 juli 2023 gerespecteerd blijft. Dit in verband met de forse inflatie, die ‘behoorlijk inhakt op de financiële situatie van de werknemers’.
Wijzigingsvoorstel niet in behandeling genomen
De werkgever heeft op 2 maart 2023 aan de bonden geantwoord dat er naar zijn mening geen situatie is als bedoeld in artikel 26 cao, zodat het wijzigingsvoorstel niet in behandeling wordt genomen.
Bijzondere tijd, maar sprake van buitengewone ingrijpende veranderingen?
Partijen zijn het er over eens dat sprake is van een bijzondere tijd, waarin door een combinatie van externe factoren (coronacrisis, oorlog in Oekraïne, energiecrisis) een hoge inflatie en een forse stijging van het prijspeil is ontstaan. Dat dit gevolgen heeft voor de financiële situatie van werknemers is ook onbetwist.
De centrale vraag in dit geschil is echter niet of het een bijzondere tijd is, maar of sprake is van ‘buitengewone ingrijpende veranderingen in de algemene sociaal-economische verhoudingen in Nederland’ zoals in artikel 26 cao is bepaald.
Tekstuele uitleg
De uitleg van deze cao-bepaling dient, zoals de bonden ook hebben aangegeven, te worden gedaan met inachtneming van het Haviltex-criterium. Dit levert in dit geval feitelijk geen ander resultaat op dan een tekstuele uitleg, nu partijen een vergelijkbare (juridische) positie hebben gehad bij de totstandkoming van de cao en partijen ter zitting verklaard hebben dat de tekst van artikel 26 cao geen zelfstandig onderwerp van gesprek in de onderhandelingen is geweest.
Rechtvaardige verdeling van de welvaart
De eerste vraag is dan, wat onder de ‘algemene sociaal-economische verhoudingen in Nederland’ moet worden verstaan. Volgens de bonden gaat het om ‘een rechtvaardige verdeling van de welvaart, hetgeen samenhangt met opleiding, inkomen en positie op de arbeidsmarkt’. De werkgever heeft dat niet weersproken, zodat er van wordt uitgegaan dat partijen dat met deze term bedoeld hebben.
Wat zijn ‘buitengewone ingrijpende veranderingen’?
De volgende vraag is dan, wat de ‘buitengewone ingrijpende veranderingen’ zijn.
De bonden benoemen de inflatie en toenemende armoede, met name als gevolg van de stijgende energiekosten, als de ‘ingrijpende veranderingen’ die zich hierin voordoen. Het ‘buitengewone’ zien de bonden in de mate van inflatie, die de hoogste is sinds 1975.
Gevolgen inflatie voor werknemers verminderd
De werkgever betwist niet dat er sprake is van inflatie en stijgende energiekosten, maar betwist dat dit ‘buitengewone ingrijpende veranderingen’ zijn als in artikel 26 cao bedoeld, met name ook omdat door overheidsmaatregelen en de door de werkgever getroffen tussentijdse voorzieningen de gevolgen van de inflatie voor de werknemers verminderd zijn.
Op welk moment buitengewone ingrijpende veranderingen?
Bij de beoordeling van de vordering is ook relevant op welk moment de ‘buitengewone ingrijpende veranderingen in de algemene sociaal-economische verhoudingen in Nederland’ zich zouden moeten voordoen om artikel 26 cao te kunnen inroepen.
‘Veranderingen’ zien immers op een wijziging ten opzichte van een eerdere situatie. Logischerwijs zal dat beginpunt liggen bij de ingangsdatum van de cao, 1 juli 2022 of wellicht bij het kort daarvoor gelegen moment van de akkoordverklaring door alle partijen met het onderhandelingsresultaat begin juni 2022.
De bonden hebben zich al in oktober 2022 mondeling beroepen op artikel 26 cao en hebben dat schriftelijk gedaan in de brief van 21 februari 2023. In een kort geding ligt echter ter beoordeling of voldoende aannemelijk is dat de vordering in de bodemprocedure een kans van slagen heeft en er nu een voorziening getroffen moet worden. Dat brengt mee dat voor toewijzing van het gevorderde geen plaats is als er op dit moment geen situatie als bedoeld in artikel 26 cao (meer) aan de orde zou zijn.
Onvoldoende aannemelijk gemaakt dat cao moet worden gewijzigd
De bonden hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op dit moment ten opzichte van de situatie van juni 2022 daadwerkelijk sprake is van veranderingen in de ‘rechtvaardige verdeling van de welvaart’ en dan ook nog ‘ingrijpende veranderingen’ die als ‘buitengewoon’ aangemerkt moeten worden.
Het enkele gegeven dat de inflatie in de tussentijd fors hoger was dan ten tijde van de cao-onderhandelingen door partijen (en deskundigen) te voorzien was en naar het zich nu laat aanzien ook nog enige tijd hoog blijft, is daarvoor onvoldoende.
Voelbare financiële gevolgen
De verdeling van welvaart wordt niet alleen beïnvloed door de piek in de inflatie en de duur daarvan, maar ook door de in reactie hierop getroffen (overheids)maatregelen, zoals de tegemoetkoming voor huishoudens voor de energiekosten, het energieprijsplafond en maatregelen van derden, zoals werkgevers. Dat er ondanks de maatregelen voor de werknemers voelbare financiële gevolgen zijn is aannemelijk.
Niet meer loonbeslagen of ziekteverzuim
De werkgever wijst er in dit verband echter op dat hij de laatste maanden geen toename van loonbeslagen of ziekteverzuim heeft gezien en haar werknemers niet om de maatwerk voorzieningen gevraagd hebben en dus niet merkbaar in de (financiële) problemen verkeren. Anderzijds staat, volgens de werkgever, ook zijn positie onder druk.
Ook de werkgever is getroffen
De stijging van energiekosten en overige prijsstijgingen treffen immers niet alleen werknemers, maar ook werkgevers. De werkgever stelt dat er door haar machines stilgezet moeten worden vanwege de tegenvallende vraag, mede door stijgende prijzen voor grondstoffen en de hoge energielasten. Dit is door de bonden op zich niet weersproken.
Vordering niet toewijsbaar
Uit het voorgaande volgt, dat het nu niet voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure de bonden in het gelijk gesteld zullen worden. Daarmee is een voorziening op dit moment niet noodzakelijk en is de vordering van de bonden niet toewijsbaar.
Uitspraak Rechtbank Gelderland, 7 juni 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:3364

