Het mediane koopkrachtbeeld voor 2027 is licht negatief. Een deel van de huishoudens gaat erop vooruit, maar een iets groter deel van de huishoudens gaat erop achteruit. Dat komt doordat de groei van de reële lonen voor deze groep naar verwachting niet opweegt tegen het effect van beleid.
Tijdens de augustusbesluitvorming heeft het kabinet middelen vrijgemaakt om het mediane koopkrachtcijfer te verbeteren. Deze maatregelen zijn technisch ingevuld met een verhoging van de arbeidskorting en een
verlaging van de tarieven in de eerste en tweede schijf. Het kabinet wil in gesprek met de Tweede Kamer over de precieze invulling van de maatregelen.
Belangrijkste niet-beleidsmatige ontwikkelingen
De belangrijkste verwachte ontwikkelingen zijn:
- De gemiddelde cao-loonstijging in de marktsector van 3,8%.
- De stijging van het minimumloon met 4,0%. Door de koppeling werkt dit ook door naar de uitkeringen.
- De stijging van de consumentenprijzen (inflatie, cpi) met 2,7%.
- De indexatie van de parameters van de toeslagen met 2,6%.
- De gemiddelde indexatie van de aanvullende pensioenen met 7,6%. De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel zorgt voor incidentele verhoging van pensioenen.
Belangrijkste beleidsmatige ontwikkelingen
Belangrijkste maatregelen van dit kabinet met gevolgen voor de koopkracht in 2027:
- De vrijheidsbijdrage voor burgers, ingevuld met een beperkte indexatie van de parameters in het belastingstelsel, zoals schijfgrenzen en de hoogte van heffingskortingen, met 1,25%. Gebruikelijk is dat de parameters in het belastingstelsel en de toeslagen beide aan de hand van de tabelcorrectiefactor (tcf) geïndexeerd. Voor 2027 wordt de tabelcorrectiefactor in het belastingstelsel echter niet volledig toegepast, maar gedeeltelijk (48%). In de toeslagen wordt de tabelcorrectiefactor wel volledig toegepast.
- Verhoging arbeidskorting met maximaal € 173 (op alle knikpunten), in de technische invulling van de koopkrachtmiddelen uit de augustusbesluitvorming door het kabinet.
- Verhoging tarieven in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting. Het tarief in de 1e
schijf stijgt per saldo met 0,48%-punt. Het tarief in de 2e schijf stijgt per saldo met 0,6%-punt. Onderdeel hiervan is de technische invulling van de koopkrachtmiddelen uit de augustusbesluitvorming, met daarin een verlaging van het tarief van de eerste en tweede belastingschijf met 0,06%-punt. - Verlaging van de ouderenkorting met € 100. Dit is onderdeel van de technische invulling door het kabinet.
- Bevriezen van het aangrijpingspunt van het toptarief op het niveau van 2026 (€ 78.426). Dit impliceert een beleidsmatige verlaging van € 2.152, bovenop op het effect van de beperkte toepassing van
de tabelcorrectiefactor. - Gedeeltelijk uitstel van de verhoging vergoedingspercentages kinderopvangtoeslag in aanloop naar het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang. De vergoedingspercentages stijgen in 2027, maar minder dan eerst voorzien.
- Gedeeltelijk uitstel van de steilere afbouw in het kindgebonden budget, waardoor het afbouwpercentage voor inkomens boven circa € 61.900 in 2027 stijgt van 7,60% in 2026 naar 9,95%, in plaats van naar 12,35%.
- Verhoging van de kindbedragen in de kinderbijslag (AKW) (ca € 90) en verlaging van de kindbedragen (€63) en de verhoging voor oudere kinderen (€14) in het kindgebonden budget, als eerste stap richting een
nieuwe kindregeling (versterking van gezinnen). - Uitstel verhoging eigen risico. De verhoging van het eigen risico met € 60 in 2027 gaat niet door. Het eigen risico wordt in 2027 wel geïndexeerd, waardoor dit stijgt van € 385 in 2026 naar € 400 in 2027.
De gemiddelde nominale zorgpremie stijgt van € 1.879 in 2026 naar € 2.029 in 2027. - Invoering Noodfonds Energie. Het Noodfonds Energie vergoedt voor huishoudens met een inkomen tot 130% (dan wel 200%) van het sociaal minimum 50% van de energierekening op jaarbasis van het bedrag boven de energiequote van 8% (dan wel 10%).
Het kabinet heeft ook een aantal maatregelen genomen die gevolgen hebben voor de koopkracht in latere jaren, waaronder het schrappen van de verlaging van het maximumdagloon en uitstel van de afschaffing van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten. Deze maatregelen hebben geen gevolgen voor de koopkracht in 2027.
Belangrijkste maatregelen van voorgaande kabinetten met gevolgen voor de koopkracht in 2027:
- Verlaging van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) met € 153.
- Aanpassing van de bedragen in het kindgebonden budget in combinatie met steilere afbouw van het kindgebonden budget.
- Bevriezing van de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting (AHK) in de bijstand in de jaren 2025-2027. Als gevolg hiervan daalt de bijstand niet in 2027.
- Verlaging van de zelfstandigenaftrek met € 300.
Koopkracht daalt
Alhoewel de gemiddelde loonstijging (+3,8%) naar verwachting hoger is dan de inflatie (+2,7%), daalt de koopkracht. Dit komt doordat beleid per saldo een negatief effect heeft op de koopkracht, zoals de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor (vrijheidsbijdrage voor burgers) en de verhoging van de tarieven in de eerste en tweede schijf.
De hoogste twee inkomensgroepen hebben een mediane koopkrachtontwikkeling van – 0,2%. De laagste inkomensgroep gaat er in doorsnee 0,2% op vooruit. Dit komt omdat een aantal maatregelen die negatief
uitpakken voor de koopkracht meer betrekking hebben op huishoudens met hogere inkomens. Ook verzilveren
huishoudens met een laag inkomen vaak niet alle heffingskortingen waar zij recht op hebben, waardoor zij relatief minder worden geraakt door de tariefsverhogingen in de eerste en tweede schijf en de vrijheidsbijdrage
voor burgers.
De koopkracht van gepensioneerden komt uit op +0,3%. Dat komt vooral door de overgang naar een nieuw pensioenstelsel en de gunstige dekkingsgraden.

Herintreder of meer uren werken
Tabel 137 laat de cijfers van de marginale druk zien. Een hoger percentage betekent dat mensen minder overhouden als ze (meer uren) gaan werken. De tabel laat zien dat het voor de getoonde huishoudtypen financieel loont om de stap naar werk te zetten of om meer uren te gaan werken.
De tabel laat daarnaast zien dat gaan werken (herintredersval) of meer uren gaan werken (deeltijdval) in 2027 voor sommige huishoudens lonender is geworden, terwijl het voor andere huishoudens minder lonend is
geworden. Dat komt vooral doordat er zowel maatregelen zijn die werken lonender maken als maatregelen die werken minder lonend maken.

Marginale druk
Tabel 138 toont voor een aantal inkomensklassen de gemiddelde marginale druk van werkenden. De tabel toont voor vijf inkomensklassen de gemiddelde marginale druk van werknemers weergegeven bij een bruto-loonstijging van 3%.
De marginale druk geeft ook hier aan hoeveel procent van de bruto-loonstijging niet leidt tot een hoger besteedbaar inkomen.
Ten opzichte van 2026 stijgt de marginale druk in 2027 voor de meeste huishoudens. Dit komt met name door
de verhoging van de tarieven in de 1e en 2e schijf, de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor en de steilere afbouw van het kindgebonden budget.


